logo_Ede

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in "De Zandloper", het periodiek van de vereniging Oud Ede,in de edities 1984 nr 3 en 1985 nr. 1

Het garnizoen Ede - door: maj. drs. G.B. Janssen.

Inleiding

Hoewel Ede als garnizoensplaats niet kan terugzien op een traditie die terugvoert tot in de 80-jarige oorlog, behoort ze wel tot de nog aanwezige garnizoenen, die vanaf de oprichting (i.c. 1906) als zodanig hebben gefungeerd, terwijl andere roemrijke steden hun kazernes reeds lang hebben afgestoten of gesloopt en de soldaten nieuwe legerplaatsen ver buiten de bewoonde wereld betrokken.

De omstandigheid dat Ede de ruimtelijk bekrompen stedelijke karakteristieken mist en daarbij de aanwezigheid van geschikte oefenterreinen kende en nog kent hebben er toe bijgedragen dat Ede thans nog een groot garnizoen militairen herbergt waarvan de kern bestaat uit twee opleidingsinstituten, één voor de verbindingstroepen en één voor de luchtdoelartillerie.

De oprichting

Voor de oprichting van het "garnizoen Ede" kunnen wij ons reeds baseren op een Koninklijk Besluit van 30 maart 1905. Op die dag bekrachtigde H.M. Koningin Wilhelmina een besluit om het 4e Regiment Veldartillerie op te richten. Dit Regiment bestaande uit 6 batterijen zou worden samengesteld uit 3 bestaande batterijen van het 3e Reg VA in Den Bosch en 3 batterijen welke in Ede zouden worden gelegerd.

Maar tussen plannen en uitvoering kan zich veel wijzigen, want het eerste dreunen daar op die heide was niet van artilleristen maar van infanteristen. Op 1 mei 1906 verschenen in het garnizoen Ede eenheden van het 11e Regiment Infanterie, namelijk het 1e bataljon afkomstig uit Bergen op Zoom en het 2e bataljon uit Utrecht. Deze eenheden werden gelegerd in de "Infanterie-kazernes", de latere Johan Willen Frisokazerne en Mauritskazerne.

Dit op 1 juli 1905 opgerichte infanterieregiment had op 4 september 1905 op de heide bij Nieuw-Milligen een vaandel in ontvangst mogen nemen van H.M. de Koningin met het opschrift "Quatre Bras en Waterloo 1815".

De eerste jaren.

Inmiddels ging de oprichting van het 4e Regiment Veldartillerie door en werden er voor deze troepen kazernementen gebouwd. In 1908 werden de "Kazernes voor de bereden wapenen" betrokken, de latere Arthur Kool- en Van Essenkazerne en waren de artilleristen eindelijk thuis in Ede. Dit bleek ook wel uit het feit dat op 1 oktober 1910 de School voor Reserve-Officieren der Bereden Artillerie in Ede werd gevestigd. Deze school werd in 1914 opgeheven maar in 1916 weer opengesteld en was toen tijdelijk gehuisvest in het inmiddels verdwenen Park-Hotel in Ede-Zuid. Maar ook bij de infanterie zat men niet stil. Door reorganisatie op 1 april 1913 werden de beide bataljons van 11 R.I. heringedeeld bij het nieuw opgerichte 22 R.L, terwijl zich bij hen ook een derde bataljon voegde. Het 11 R.I. formeerde zich opnieuw in de Krayenhoflkazerne in Nijmegen.

Op 17 november 1913 ging het kersverse 22 R.I. naar Den Haag om aldaar op het Malieveld van H.M. Koningin Wilhelmina het vaandel uitgereikt te krijgen.

Hierna was de belegging van de infanterie- en artilleriekazernes nagenoeg voltooid. De soldaat, of liever gezegd de milicien, of hij nu infanterist of artillerist was, werd een vertrouwd beeld in Ede en omgeving, hetzij op manoeuvre hetzij met avondpermissie.

Tijdens de mobilisatie 1914-1918 werden er gezien de omstandigheden allerlei troepenverplaatsingen uitgevoerd. Maar na 4 jaren wacht aan de grenzen keerden de oude eenheden terug in hun vertrouwde garnizoenen. En die band met Ede werd onderstreept door de plaatsing van een herdenkingslantaarn bij de ingang van de infanteriekazernes welke door burgemeester Creutz werd aangeboden namens de burgerij van Ede ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het garnizoen op 1 mei 1931.

Dat er een goede verstandhouding bleek te zijn was niet in het minst te danken aan het reeds in 1908 geopende Protestant Militair Tehuis, waarin Edese burgers (de heren Bussers en Tulp) een langdurige actieve rol hebben gespeeld.

De militaire bedrijvigheid rond Ede had eveneens tot gevolg dat de bevolking zich uitbreidde met de gezinnen van de in het garnizoen geplaatste beroepsmilitairen waarvoor uiteraard woningen moesten worden gebouwd. Bovendien, en dat was ten nutte van alle inwoners, beschikte Ede vrij snel over een eigen waterleidingnet want de aanwezige kazernes behoorden tot de beste afnemers van de "Edese Waterleidingmaatschappij".

Bezuinigingen en uitbreiding

De uitgaven voor de landsverdediging namen in de jaren na de eerste wereldoorlog zienderogen af en in deze periode werd het leger danig ingekrompen. Het was de tijd van het gebroken geweertje en géén man en géén cent voor de defensie!· slagzinnen die thans ook weer opgeld doen. Verscheidene garnizoensplaatsen werden van hun troepen ontdaan, andere werden zelfs opgeheven. Maar voor het gunstig gelegen Ede met zijn nieuwe kazernes betekende deze bezuiniging een uitbreiding.

Vanaf 2 mei 1922 kwamen eenheden afkomstig van elders binnengemarcheerd. Het 10e Regt Inf Haarlem betrok de Mauritskazerne, terwijl 22 R.I. zich terugtrok in de J.W.F.-kazerne.

Ook in Ede gelegerde veldartillerie werd op 15 juni 1922 gereorganiseerd en opgewaardeerd tot 2de Brigade terwijl de bestaande bataljons verdeeld werden over een tweetal regimenten, namelijk het 4e Reg VA in de Arthur Koolkazerne en het 8e Reg VA in de Van Essenkazerne.

De 2de Artillerie Brigrade bestond uit een Staf, 2 Regimenten VA en een Treinafdeling. 4 RVA was samengesteld uit twee schoolbatterijen van 7 veld en één met 12 hw 114, terwijl 14 RVA eveneens over twee schoolbatterijen 7 veld beschikte maar de derde batterij voorzien was van 15 hw 1 17.

In de garnizoensplaatsen Harderwijk, Den Haag, Breda, Ede, Amersfoort, Leiden en Bergen op Zoom bevonden zich dergelijke "regimenten veldartillerie" die tot taak hadden artilleristen op te leiden voor de te formeren oorlogseenheden.

De School voor Reserve-Officieren der Bereden Artillerie, die nog steeds verspreid was over beide kazernes had dringend een eigen onderkomen nodig en in 1936 kon zij de voor haar gebouwde Bergansiuskazerne betrekken.

De afbraak van het leger en zijn instellingen duurde voort tot 1938. Toen pas werd onder druk van een steeds werkelijker wordende oorlogsdreiging de Dienstplichtwet zodanig gewijzigd dat het aantal dienstplichtigen en de diensttijd werden verlengd. Dit betekende natuurlijk een grotere behoefte aan kazernes. Er moesten bestaande kazernes worden uitgebreid en nieuwe gebouwd. Ook daarvoor werden gelden beschikbaar gesteld. Om de kosten zo laag mogelijk te houden werd een uniforme kazerne ontworpen, bestaande uit één basistype met 2 varianten afhankelijk van de daarin te leggen infanterie-eenheden. Het tekenen van de bestekken, die binnen één maand gereed moesten zijn geschiedde door kapitein der genie A.G. Boost, vandaar dat deze kazernes die gebouwd zijn o.a. te Arnhem (Saksen Weimarkazerne), Grave (Gen. de Bonskazerne), Ermelo (Jan van Schaffelaerkazerne), Wezep (Willem de Zwijger kazerne) en vele andere plaatsen de naam Boostkazernes kregen. Ook in Ede werd er een gebouwd en dat is de Elias Beeckmankazerne. Bovendien werd in Ede ook nog de Simon-Stevinkazerne in de jaren 1938/39 voltooid.

Het sterk uitgebreide 22 R.I. verliet nu de Johan Willem Frisokazerne en betrok de nieuwe kazernes meer oostelijk van Ede en vlak bij de uitgestrekte oefenterreinen op de Ginkelse heide en Ederheide.

De door hen verlaten J. W.F. -kazerne werd bestemd voor het medio 1939 opgerichte 12e Regiment Motorartillerie, afkomstig uit Naarden en voortgekomen uit de vroegere Vestingartillerie.

De periode 1939-1945

Tijdens de mobilisatie betrokken de in Ede gelegerde eenheden hun opstellingen in de Grebbelinie. 10 en 22 R.I. hadden een vak begrensd door de lijnen Lunteren-Scherpenzeel en Ede-Elst (Ut), in de diepte gesteund door de veldartillerie. Op 10 mei 1940 werd het 4e Bat van 10 R.I. nog naar Rotterdam gezonden om daar de gelande Duitse parachutisten bij de Waalhaven te bestrijden.

De grotendeels ontruimde kazernes werden echter weer bevolkt. In de infanterie-kazernes aan de Stationsweg verscheen het 4e Reg Huzaren (Boreel) bestaande uit eskadrons te paard, met de fiets en een beetje gemotoriseerd. De troepen hadden een verkennende en vertragende opdracht op de Veluwe en zijn in en om Ede in gevechtscontact geweest met de oprukkende Duitse troepen van het 332 Reg Inf, die tenslotte Ede bezetten.

Na de capitulatie werd het Nederlandse leger ontbonden. De kazerne terwijl de oude infanterie- en artilleriekazerne in Ede-Zuid nog geen bestemming-hadden. Maar die kregen ze in juli 1941. Na infanteristen, artilleristen, en cavaleristen te hebben geherbergd verschenen nu "Matrosen" van de "Kriegsmarine" om een 3-maandelijkse opleiding te krijgen op de heidevelden en zandverstuivingen rond Ede en op de Rijn
bij Rhenen voordat zij een betrekkelijk korte toekomst kregen op en in het zilte nat van de Noord- en Oostzee. In mei l94l was in Bierum (Ost-Friesland) opgericht de 20ste Schittstammabteilung bestaande uit een Staf en 5 compagnieën welke nagenoeg onvoorbereid als garnizoen Ede kregen aangewezen. In korte tijd werden Frisokaserne en "Infanteriekaserne" ingericht en op 25 juli 1941 schreef het soldatenblad "Marine in Holland", dat in Ede werd gedrukt, Ede wird unsere neue Garnison".

Gedurende een drie-maandelijkse opleiding werden telkens ca. duizend 17 à 18 jarige 'vrijwilligers' opgeleid om ingezet te worden als kustpatrouille of kustwacht. Maar tijdens de luchtlandingen van de geallieerden in september 1944 werden ze haastig geformeerd tot gevechtseenheden en ingezet tegen de para's in de omgeving van Renkum en Wolfheze.

Midden in bezettingstijd verzamelen zich nog eenmaal Nederlandse militairen in de Mauritskazerne. Dat was op 15 mei 1942 toen alle Nederlandse officieren zich moesten melden in verscheidene kazernes in ons land.

In de Mauritskazerne kwamen ongeveer 500 à 600 officieren uit Gelderland en Utrecht tesamen. Nadat de aanmelding was voltooid werden zij echter door zwaar bewapende Duitse soldaten omsingeld en nog diezelfde nacht met extra-treinen op transport gesteld naar krijgsgevangenkampen in Zuid-Duitsland.

Waren de kazernes in Ede het domein van de Duitsers; in de gebieden er om heen heersten talrijke activiteiten van Nederlandse verzetsstrijders die zich met name in en om Ede niet onbetuigd hebben gelaten, maar die geschiedenis valt buiten dit bestek.

Mei 1945: de bevrijding

In de vroege ochtend van 17 april l94S drongen geallieerde troepen (het lle Bat. Royal Scotch Fuseliers) via de Ginkelse heide en de Sijsselt de Oostrand van Ede binnen. Dit ging niet zonder verzet, met name vanuit de Simon Stevinkazerne waarin de Duitsers zich hadden verschanst. Na een urenlange gevecht waarbij de Simon Stevinkazerne ernstig werd beschadigd was de weerstand gebroken. De Elias Beeckmankazerne werd als commandopost van de l47e Inf Brigade ingericht.

De militaire en civiele leiding over Ede werd toevertrouwd aan het driemanschap D. Wildeboer,Th H.A. Boeree en L.R. Middelburg als burgemeester.

Ede werd nu de garnizoensplaats voor de 7de Canadese Infantry Brigade in afwachting van de repatriëring naar Canada. Over de goede contacten van de Edese burgerij en de bevrijders zouden pagina's te vullen zijn, en het navolgende citaat is beslist niet zonder reden: "De·banden met de burgerij van Ede werden dan ook steeds hechter en het is ook niet verwonderlijk dat men in november met spijt afscheid nam van de Canadese vrienden". Op 6 november l94S vond er een grote afscheidsparade plaats, welke werd afgenomen door de commandant van 7 Can Inf Brig, Lcol A. Gregory, en de burgemeester van Ede, L.R. Middelburg.

In onze tijd

De eerste Nederlanders die als militairen in de Elias Beeckmankazerne terugkeerden waren vrijwilligers die naar het nog door Japan bezette Nederlands-Oost-Indië wilden. Bij het V.O.C. (Nomen est Omen), het Vrijwilligers Opleidings Centrum werden zij voorbereid voordat zij met veel enthousiasme maar met weinig oefening scheep gingen naar de Oost, waar velen van hen bijna 5 jaar verbleven.

De oude infanterie eenheden keerden niet weer terug in Ede. Het 11 Reg Int•nterie ging in l9SO op in het nieuw geformeerde Regiment "Limburgse Jagers". Het lO Reg infanterie is nog een drietal jaren bij een regiment ingedeeld geweest met de voor hen welbekend klinkende naam "Johan Willem Friso", maar ging in 1953 over naar het regiment "Chassée". Toch verschenen er nog infanteristen in Ede. (De legerplaats bij Harskamp is in dit verhaal bulten beschouwing gelaten) en wel in een kampement bij de Driesprong. De Grenadiers en Jagers vonden hier een tijdelijk onderkomen voordat zij zich konden vestigen in Schaarsbergen en Arnhem .

De veldartillerie keerde wel terug in Ede, zij het onder een andere naam en in een gewijzigde organisatie. De 14e Afdeling Veldartillerie stalde haar stukken in de oude vertrouwde artilleriekazernes. Dat was reeds in 1947 en drie jaar later keerde ook een opleiding voor reserve-officieren terug, namelijk van de luchtdoelartillerie (SROLua). Dit opleidingsinstituut werd gevestigd in de Johan Willem Frisokazerne.

In de vijf kazernes bij het spoor, die samengevoegd zijn tot één kazerne met de nietszeggende benaming "Kazernecomplex Ede-West" bevindt zihc thans als hoofdgeruiker de "Luaschool".

In 1951 kwam er een geheel nieuw element binnen Ede en is er tot op heden gebleven en in die meer dan 30 jaar is Ede en Verbindingstroepen meer dan een vast begrip geworden, zowel in als buiten dienst.

In november 1951 werd het Depot Verbindingsdienst in de Elias Beeckman en Stevinkazerne gevestigd, komende vanuit Utrecht waar zich sinds 1948 de verbindingstroepen hadden geconcentreerd. In 1967 werd het Depot omgedoopt in het Verbindingsdienst Opleidingscentrum (V.O.C.), dat thans nog gehuisvest is in beide kazernes, die samengevoegd tot één, eveneens de nietszeggende naam "Kazernecomplex Ede-Oost" draagt.

1956 was een gedenkwaardig jaar voor het garnizoen. In augustus werd op uitgebreide wijze in het versierde Ede het 50-jarige jubileum gevierd. Er vonden allerlei evenementen plaats, zoals sportwedstrijden, concerten en het openluchttheater werd druk bezocht.

Een hoogtepunt was de reünie van ruim 600 oudgedienden in de Johan Willem Frisokazerne waaronder een dertigtal veteranen van het eerste uur, uit de lichtingen 1905 en 1906.

Tijdens het defilé trokken zij voorbij aan de Minister van Oorlog en Marine Ir.C.Staf, die zelf in 1906 in Ede zijn dienstplicht had vervuld, ook als reunist was gekomen en nu met de garnizoenscommandant en burgemeester op het podium was gestapt om de hechte band in Ede tussen burgerij en militair te onderstrepen.

Ook bij dit jubileum gaf de Edese burgerij stoffelijk blijk van deze goede verstandhouding. Net als 2S jaar daarvoor was het nu burgemeester H.H. Oldenhof, die de garnizoenscommandant Lkol C. Bruens een geschenk aanbood in de vorm van instrumenten voor een te formeren mil1tair muziekkorps.

Het werd trouwens de periode van jubilea en herdenkingen, afgezien van de jaarlijkse herdenking in sepcember op de Ginkelse heide ter herinnering aan Market Garden 1944.

In 1962 werd b.v. het 50-jarig bestaan van de School voor Reserve Officieren Onbereden Artillerie gevierd waarvan de traditie werd voortgezet door de SROLua, die eindelijk na vele omzwervingen in 1950 haar rust vond in de Johan Willem Frisokazerne.

Bij een officiële ontvangst in de Bergpoort door loco-burgemeester M. Wiegeraadt (het ambt van burgemeester was vacant) wees deze op de belangrijke rol welke het garnizoen in het gemeenteleven van Ede steeds speelde. Door het garnizoen en ook de industrievestiging heeft deze gemeente na de oorlog een stormachtige groei doorgemaakt.

Naast vreugde en feest waren er ook momenten dat er afscheid genomen moest worden van elkaar. Een organisatie die leeft en bij wil blijven moet luisteren naar de eisen van de tijd. Na meer dan zestig jaar veldartillerie te hebben geherbergd nam Ede op 14 maart 1968 afscheid van de 14 Afdeling Veldartillerie, die naar de nieuwe legerplaats bij Nunspeet verhuisde. De mechanisatie (rupsvoertuigen), die ophanden was en de voor deze voertuigen geschikte oefenterreinen op de Midden- en Noord-Veluwe maakten deze verplaatsing wenselijk. Bij hun laatste defilé met de 155 mm houwitsers trok de afdeling voorbij aan haar commandant LKol P.E. Bounan, die bij zich op het podium had gevraagd de burgemeeste van Ede, Dr. P.J.Platteel en de garnizoenscommandant LKol R.P Pieters.

Na het vertrek van de 14 afdva bleef het 106 Verbindingsrasterbataljon achter in het Bergansiusgedeelte. De Van Essen Koollazeren werd grondig gemoderniseerd. Het werd trouwens ook tijd. In de Johan Willem Frise werdin 1969 de 25e Afdeling Luchtdoelartillerie gelegerd.

Het garnizoenscommando

De functionele inhoud van de garnizoenscommando's wijzigde zich ook in de loop der jaren. In Gelderland waren vijf garnizoenen: Arnhem, Nijmegen, Ede, Harderwijk en Apeldoorn (TBO). Deze structuur bleef nagnoeg onveranderd bestaan tot 1975, toen de afzonderlijke garnizoenscommando's werden opgeheven en samengeboegd tot een Provinciaal Miltair Commando tevens Garnizoenscommando, dat voor Gelderland in Arnhem zetelt.
De herinnering aan de taak van de garnizoenscommandantis in Ede gebleven op een zeer belangrijk gebied, namelijk dat vn de huisversting. De grote betekenis van Ede als woongebied voor personeel van het Ministerie van Defensie maakte het wenselijk dat de Regionale Huisvestingsambtenaar Ede ter plaatse functioneert als vooruitgeschoven post van de PMC/tvs Gaarnc te Arnhem.

Ede heeft dus geen zelfstandige garnizoenscommandant meer, maar betekenis en functie van een garnizoensplaats zijn gebleven. De verhouding militait-burger zijn talrijk, zoals infrastructuur, weggeebruik en niet te vergeten de oefenterreinen. Maar bij dit alles kan echter niet voorbij gegaan worden aan het historische feit dat de gemeente Ede sedert vele tientallen jaren militairen in uitgebreide militaire in uitgebreide militaire complexen binnen haar gemeentegrenzen heeft, en derhalve ook een taak als garizoen heeft behouden.

Zevenaar, 6 juli 1984

drs. G.B. Janssen