logo_Ede

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

In Mooie Griet wordt het eerste deel van een verhaal verteld, geschreven door Luc Willink, en geplaatst in "Het Vaderland" van 29 april 1970. Hieronder het tweede deel. Omdat dit vooral over het Vliegkamp op de Doesburgerhei gaat, en een ooggetuigeverslag is van de eerste vlucht van Hilgers, is er een apart verhaal van gemaakt.

Nu was er eens een sergeant bij het elfde regiment infanterie, die heette Gerrit van Eyeren, een klein kittig mannetje. En hij waagde het er op. Ja, hij wilde met Griet trouwen en hij kwam vaker en vaker naar de Driesprong gefietst, helemaal van de kazerne, die aan het verste eind van Ede is gelegen. Piekfijn kwam hij altijd aanzetten in zijn prachtige buitenmodelletje van officierslaken.

Men moet daar niet te min over denken! Zijn tuniek had niets meer of minder dan een loden kraag, zorgvuldig beplakt met vuurrood laken. Desondanks wilde hij, de beroepssergeant, de militaire dienst verlaten en een burgerbetrekking zoeken, waarmee hij meer geld zou kunnen verdienen, en trouwen met Griet. En die beter betaalde burgerbetrekking kreeg hij verrassend gemakkelijk - dank zij zijn bruid.

Want in Café de Driesprong was inmiddels een heer afgestapt, een kleine Indischman, die Hilgers heette. Griet bracht haar verloofde in kennis met deze logeergast en ze werden het dadelijk eens. Toen was plotseling iedereen gelukkig.

Sergeant Van Eyeren trok dus zijn indrukwekkende uniform uit en wat kreeg hij er voor in de plaats? De burgerpet, maar óp die pet zat het blinkende insigne van de A.N.W.B. (net een fonkelnieuwe gulden en met een kleurig jaarschildje daar nog bovenop), want daar was hij lid van. En dit insigne had hij nooit op zijn kepi mogen dragen.

De heer Hilgers zag ik het eerst toen hij de Tra kwam afgefietst, in gezelschap van een lange meneer met een zwart fluwelen jasje aan, een zwarte lavallière om zijn hals en een rode sik. Zo'n uitmonstering wees toentertijd naar artisticiteit. En dat kwam ook ditmaal uit, want deze heer was architect.

Deze twee fietsten dus over de Tra, die eigenlijk niet eens een zandpad mocht heten. In 1910 deden we nog àlles per fiets en die fiets wurmde zich door de smalste geultjes heen. Het kwam weldra te blijken, dat er vijf minuten lopen van ons huis grote dingen gebeurden, waarin die twee heren waren betrokken.

Dat was de kant van Meuiunteren op. 's Avonds, na· volbrachte dagtaak, kwamen daar dagloners en arme kleine boeren en maaiden er met zeisen een heel stuk hei af, honderd meter lang, honderd meter breed. En toen dat gebeurd was, brandden ze nog eens de stoppels af.

Middelerwijl werd er een groot houten gebouw neergezet. Dat bouwsel kreeg een heel wijde deuropening van maar liefst dertig meter breed, die als een harmonika kon worden saamgevouwen. Ademloos hebben mijn zusjes en ik dit wonder aangegaapt. Want in dit land van vrede en stilte gebeurde nooit iets, en nu wel.

Het zou allemaal nog veel ademlozer worden. De heer Hilgers had Van Eyeren in dienst genomen als boodschaploper. Telefoons waren zo'n zestig jaar geleden nog grote uitzondering in een oord als dit. Wie iets nodig had, moest er op uitgaan om het te bestellen of te halen. De eerste boodschap, die Gerrit van Eyeren kreeg te volvoeren, was: naar Ede te fietsen (hij wás immers lid van de Wielrijdersbond met het insigne als een eremedaille vóór op zijn pet) en daar vier wit geëmailleerde pollepels te kopen.

Teruggekeerd van die expeditie, moest hij vervolgens ze aaneen solderen en één er van bloedrood verven. Ten slotte werd dit apparaat geplaatst op de nok van het houten, wit en geel geverfde bouwwerk, waar die pollepels vrolijk gingen ronddraaien, voortgedreven door de wind. Ik dacht dat dit zó maar een feestelijk grapje was ter opluistering, maar dat had ik mis. Als het stormde op de hei, gingen de pollepels verwoed rondvliegen en omdat er één rooie bij was, kon je het aantal omwentelingen tellen - het was een serieuze windmeter.

Elke volgende dag werd alles prachtiger, zodat mijn twee zusjes en ik vaste bezoekers werden van dit terrein, waar zóveel onbegrijpelijks te zien was. En waar opeens een grote, door twee paarden getrokken platte kar arriveerde. Daarop stond een reusachtige kist, die met de grootste behoedzaamheid werd afgeladen. Wij kinderen waren toen nog niet zover, dat we deze bedrijvige lieden dorsten te vragen, wat dit nu allemaal wás en wat er in die kist zat. Wij gaapten het heel eenvoudig en geestdriftig aan, tevreden met het onbegrepen schouwspel alléén.

De kist droeg het opschrift: USINES BLERIOT, RUE DE RENNES PARIS Vme. Ook al kon ik dat toen reeds vertalen. tóch zei het me niets. Maar de kist werd geopend en daarin zat een vliegmachine, met haar vleugels links en rechts los naast zich. Dit uit de praktische overweging, dat het geheel dan minder plaats innam.

Niet alleen Van Eyeren was in dienst getreden bij de heer Hilgers. Het bleek bovendien, dat nog twee anderen tot diens staf waren gaan behoren. Van één hunner heb ik de naam nooit geweten, ik kende slechts zijn bijnaam: de Appelepap. Ik was toen al wel zo wijs, dat ik begreep, slechts achter zijn rug van "Appelepap" te mogen spreken, want mijn ervaring met Griet van Eyeren-Lamstra had mij opeens veel wijzer gemaakt. Maar mijn twee jongere zusjes zeiden heel beleefd "Meneer Appelepap" tegen hem - en zij hebben géén excuus hoeven te maken !

Deze man was monteur - mécanicien - technicus - deskundige. De andere man heette Poele en was timmerman - schrijnwerker - instrumentmaker - deskundige. Terwijl de ex-sergeant bij Harer Majesteits 'troepen te voet' almaar opgewekt naar Ede en terug fietste om allerlei boodschappen te doen. Met al die voorbereidingen ging een mooi poosje heen.

Weldra waren wij drie kinderen stamgasten geworden in de hangar. Ik zag de vliegmachine langzaam maar zeker helemaal zichzelf worden, met de vleugels breed uitgespreid (25 meter), zorgvuldig vastgeschroefd en met alle spandraden hecht bevestigd. En nu was het wachten op de wind, of liever: de windstilte. De pollepels joegen dolzinnig achter elkaar aan en dus viel er nog niets te beginnen. Ik bedoel: vliegen en zo.

Ik werd een baas in het tellen van de omwentelingen, maar altijd was er te veel wind. Zes meter wind was het maximum, waarbij  men dorst buiten te komen. En deze ideale toestand werd slechts bereikt des avonds tegen zonsondergang en even daarna. Zodat het moment aanbrak, waarop de vliegmachine plechtig naar buiten werd gereden.

Het was maar een klein gezelschap ooggetuigen. De reeds genoemden, plus Willem Lamstra en zijn mooie, grote zus waren er, met bovendien een schoenmaker, genaamd Hey, die buitengewoon veel belangstelling had voor deze experimenten. Deze Hey was een filosoof, die Shakespeare las en die eens was opgestegen met een luchtballon. Bij deze feestelijke gelegenheid op de afgemaaide en afgebrande hei zei deze merkwaardige toeschouwer tegen mij: ,,Zwaarder dan de lucht ... dat lukt ze nooit !" Ik verstond het wel, maar begreep niet wat het betekende.

Toen eindelijk alles klaar was, zette de heer Hilgers (die een soort overall had aangetrokken) zijn pet achterstevoren op zijn hoofd en nam plaats op een bankje, waar hij nét boven het benzinereservoir kon uitkijken. En alle aanwezigen - ik óók - werden uitgenodigd om de staart van het vliegtuig stevig vast te houden, tot de aviateur de hand zou opheffen. Bij dát teken moesten we allemaal gelijktijdig loslaten.

Alleen aan de Appelepap was een andere taak toegedacht. Hij posteerde zich vóór de Blériot (we hadden intussen geleerd, dat je het een "aëroplaan" moest noemen) en pakte de schroef beet. Die gaf hij een ontzettende duw omlaag, meteen zijn handen schielijk terugtrekkend. De motor zei: Zoefff ! Dit spel herhaalde zich ettelijke malen en de Appelepap werd daarbij steeds schichtiger.

Eindelijk sloeg de motor aan en de monteur - mechanicien - deskundige liet zich op de grond vallen tussen de twee voorwielen. De aëroplaan stoof naar voren, het staartwiel danste over de liggende Appelepap heen en hij stond weer op - ongedeerd - zich afkloppend. Wij kinderen vonden dat kunststuk het indrukwekkendste heldenfeit, dat we ooit hadden aanschouwd. Zoiets te durven ...

Over het afgemaaide en afgebrande deel van de hei rende de Blériot voorwaarts, kwam zowat op de grens van het stuk van het geprepareerde stuk en ... vlóóg.