logo_Ede

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
In de Leeuwarder Courant van 22 september 1956 staat een artikeltje met de kop 
“Heeft het rijk de militaire heide bij Ede gekocht of.... gepacht?" Het gaat over een commissie die is ingesteld op een buurspraak, en die ontdekt
zou hebben dat de heide bij Ede niet aan het rijk zou zijn verkocht, maar alleen
voor honderd jaar in erfpacht is gegeven. Gevolg daarvan zou zijn dat anno 2000 de hei weer in beheer van het buurschap
Ede-Veldhuizen zou komen. Er is destijds onderzoek gedaan naar de juistheid van de beweringen van de
commissie, maar uit dat onderzoek is niets te voorschijn gekomen. Ook in later jaren is de vraag nog weleens ter tafel gekomen, maar daar is toen
geen gevolg aan gegeven in de vorm van nader onderzoek. In het kader van het project “Living Artefacts”, een project waarvoor
de provincie Gelderland subsidie heeft gegeven, is een werkgroep gevormd.
Aan deze werkgroep neemt ook het buurschap Ede-Veldhuizen deel. Het project is erg breed van opzet, en één van de onderwerpen is de rol van het
buurschap Ede-Veldhuizen in de militaire geschiedenis van Ede. Voor zover het
buurschap in die geschiedenis een rol heeft gespeeld betreft dat vooral de
verkoop van de destijds in haar bezit zijnde Ginkelse- en Eder Hei, die het
toenmalige Ministerie van Oorlog als oefenterrein wenste te verkrijgen. Over de achtergrond en invulling van die wens van het leger is een heel verhaal
te schrijven. Samengevat komt het neer op twee punten. 1) Het buurschap
heeft destijds de Ginkelse Hei aan het rijk verkocht. Maar 2) de Eder Hei werd
voor een periode van honderd jaar verpacht. Waarbij het Ministerie het recht
verkreeg om tussentijds tot aankoop van het geheel of delen daarvan
over te gaan. Binnen de werkgroep is de vraag opnieuw gerezen hoe de vlag er feitelijk
voorstaat. Door het buurschap is opnieuw gezocht naar documenten. Primair
naar de verkoopacte van de destijds verpachtte Eder Hei. Want die hei is
ondubbelzinnig ook al vele jaren in bezit van het rijk. Het buurschap heeft
opnieuw geen antwoord gevonden. Nou heeft schrijver dezes er vroeger ook wel eens naar gekeken. Het stond
op zijn lijstje “To Do”, in de dagen dat hij actief was binnen het buurschap.
Door zijn vertrek als buurrichter is aan het onderwerp sindsdien weinig aandacht
gegeven. Al werd er tussentijds, als het zo uitkwam, uiteraard wel eens wat
(digitaal) genoteerd over het onderwerp. Dossiervorming, heet dat. Omdat vanuit het buurschap geen antwoord aangedragen kan worden op
de vraag uit is op basis van de bestaande notities op de harde schijf toch
even een kort onderzoekje gedaan. Dit is, zonder al te veel in details te treden, het resultaat: De Ginkelse Hei is op 21 december 1900 door het buurschap Ede-Veldhuizen
aan het Ministerie van Oorlog verkocht. Het gaat om in totaal 164 hectare,
51 are en 5 centiare, en het rijk betaalt daarvoor f 29358,49 (€ 13344,77).
De acte van Koop en Verkoop is verleden door notaris Willem Frederik Jacob
Fischer op 21 december 1900. Het nummer van de acte is 5980. Op dezelfde datum heeft het buurschap de Eder Hei aan het Ministerie van
Oorlog verpacht voor de tijd van 100 jaren, waarbij het Ministerie het recht
kreeg om tot 1 januari 1921 de gepachte grond geheel of gedeeltelijk te kopen
tegen een vaste prijs vanf 150,-- per hectare.
Na die datum kon het rijk de grond ook nog wel kopen, maar dan zou er een door
drie deskundigen vast te stellen nieuwe prijs gehanteerd worden. Het nummer
van deze Erfpachtacte, eveneens verleden op 21 december 1900, is 5981.
De erfpachtcanon bedroeg het eerste jaar f 1745,69½, in volgende jaren
f 1645,69½. De totale oppervlakte bedroeg 650 hectare, 46 are. Eventueel zou
daar nog 36 are bijkomen, als de schietvereniging “Piet Joubert” de aan haar in
gebruik gegeven grond “tot het eventueel oprichten eener schietbaan” niet in
gebruik zou nemen. Het nummer van deze erfpachtacte is 5981. Tot hier is alles eenvoudig na te gaan, o.a. in het Edese gemeentearchief.
Maar hoe zat het nu met het aflopen van die erfpacht? Want ooit heeft het rijk
de Eder Hei in eigendom verkregen. Daar komt de website www.delpher.nl te hulp. Op die website zijn onder
andere millioenen krantepagina's op trefwoorden te doorzoeken. En dan vinden we
dat het buurschap Ede-Veldhuizen kort na de verpachting van de Eder Hei deze in
pacht gegeven gronden bij gesloten inschrijving te koop aanbiedt.
Als geldbelegging. Er zijn vijf inschrijvers geweest, maar de koper was de eigenaresse van Kernhem,
de Hooggeboren Vrouwe Maria Cornelia Gravin Bentinck, geboren Baronesse
van Heeckeren van Wassenaer, echtgenote van den Hooggeboren Heer Willem
Carel Philip Otto Graaf Bentinck wonende op kasteel Weldam, gemeente Markelo.

Zij betaalde f 55.155,-- voor ruim 653 hectare, dat was ongeveer f 84,50 per
hectare. Die grond had het Rijk, blijkens de erfpachtacte, ook kunnen kopen,
voor f 150,-- per hectare. En de Ginkelse Hei was verkocht voor zo'n f 180.- per ha.
Het buurschap heeft de Eder Hei dus voor amper de helft van de waarde verkocht.
Naar de redenen voor deze lage prijs kan men slechts gissen. Bovendien, de
grond was met erfpacht bezwaard, en leverde dus jaarlijks al rendement op.

Echter, gelet op de eeuwenlange dominante positie van Kernhem in het buurschap
Ede-Veldhuizen zou deze positie wel eens van belang kunnen zijn geweest.
Dit te meer omdat één van de betrokken buurmeesters een hele dikke dubbele
pet op had. Want Cornelis Staf was niet alleen buurmeester, maar ook bosbaas
van het in het bezit van Kernhem zijnde Edese Bos!

Saillant is dat de kleinzoon van de bosbaas, eveneens Cornelis geheten ("Kees")
later Minister van Oorlog zou worden. Door deze verkoop nam het kasgeld van het buurschap sterk toe, en er
werd daarom een buitengewone buurspraak bijeengeroepen op 3 april 1904,
teneinde te “delibereren” over de verdeling van het kapitaal groot f 119.000,--.

Het dagblad De Tijd deed daar in de editie van 6 april 1904 verslag van. Opmerkelijk is dat het artikel eindigde met de zin: Zoo zijn nu alle bezittingen der
Buurt in andere handen overgegaan en heeft zij dus opgehouden te bestaan”
.

Niets was minder waar, het buurschap had immers nog materiële en
immateriële bezittingen, en de geërfden hebben het buurschap nooit opgeheven.
Om een buurschap op te heffen was een meerderheidsbesluit van de geërfden
nodig, zoals voorgeschreven in de Markewet.
Dat besluit is nooit genomen.

Overigens is de Markewet, voor zo ver valt na te gaan (bij het Ministerie van
Binnenlandse Zaken), nooit buiten werking gesteld.
En daarom zou nog steeds iedere geërfde in het buurschap Ede-Veldhuizen
kunnen eisen om het buurschap op te hefffen. Het bestuur van het buurschap
is dan verplicht een procedure te starten die kàn uitmonden in opheffing.
't Zou een interessante juridische casus zijn. Om te beginnen al omdat er dan
eerst vastgesteld moet worden wie tegenwoordig nu precies, in de zin der wet,
geërfde is. Exact, met naam, adres, en welk onroerend goed er in bezit is. Anno 1913 verkopen de erfgenamen van de gravin een deel van de Eder Hei
aan de Staat der Nederlanden, en in 1920 (dus binnen de daarvoor in de
erfpachtacte gestelde termijn) zijn alle oorspronkelijk door het buurschap
verpachtte gronden door het rijk aangekocht.

Daarvan moet een acte van koop en verkoop zijn opgesteld. Die is, blijkens
informatie van het Ministerie van Defensie, te vinden in het Rijksarchief
in Den Haag, in het archief van de Koninklijke Landmacht.

Voor wie wil gaan kijken: het toegangsnummer is 2.14.45,
inventarisnummer 4440, deel 2.

Overigens heeft deze ingang alleen betrekking op het jaar 1920. Uit het 
kadaster blijkt dat de hei in delen aan het rijk verkocht is. In de acte van
verkoop en koop van 29 april 1902, nummer 6353 wordt de hei verkocht
aan degravin Bentinck. De acte noemt zo’n vijfentwintig percelen. Deze
percelen zijn kadastraal terug te vinden, en bij de verkoop wordt steeds
een dienstjaar genoteerd. De feitelijke verkoop ligt dan een jaar eerder.
En de percelen die aande gravin zijn verkocht zijn, blijkens het kadaster,
aan het rijk verkocht in de periode 1912-1919.
Helaas is het archief van de genie niet volledig, er mist er een hele reeks
van jaren. Ook in het Edese gemeentearchief zijn niet veel nadere
gegevens te vinden. Waarschijnlijk zijn de deelverkopen gepasseerd ten
overstaan van een niet-Edese notaris. Verkoper noch koper hadden
immers hun domicilie in Ede.
Wie echt het naadje van de kous zou willen weten moet het archief van
de rentmeester van graaf Bentinck raadplegen. Daarin zullen kopieën van
de onderscheidene aktes mogelijk terug te vinden zijn.
Een interessant onderzoek, maar het valt buiten het kader van het
project “Living Artefacts”.