logo_Ede

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

H.J. Nijenhuis was geboren en getogen in Ede. Na zijn penionering heeft hij veel verhalen uit de geschiedenis van zijn dorp opgeschreven.

Vaak ingekleurd met herinneringen uit zijn jeugd. Het onderstaande verhaal is daar een mooi voorbeeld van.

LOOPGRAVENGEVECHT

Als men, via de Kreelseweg en het Edesche Bos, na de Traa gekruist te hebben op de heide kwam, lagen vroeger even verder links van het fietspad de loopgraven. In navolging van de bittere stellingenoorlog in België en Noord-Frankrijk waren deze tijdens de mobilisatiejaren 1914-1918 aangelegd door militairen en bedoeld als oefengelegenheid.

De loopgraven bestonden uit een aantal elkaar kruisende gangen, ruim twee meter diep, met verhoogde uitkijkposten en diverse ondergrondse verblijven. Om de werkelijkheid zo goed mogelijk te benaderen bevonden zich aan de oostzijde uitgebreide prikkeldraadversperringen.

Al met al een ideaal oord voor de jeugd om, ver van de bewoonde wereld, verstoppertje of rovertje te spelen. Het kon echter  ook gebeuren dat dit vermaak wat uit de hand liep. bijvoorbeeld die keer
dat de Edesche Courant van 24 october 1931 hiervan melding maakte.

“Voorafgaande zaterdagmiddag besloot een aantal jongens uit de Boslaan en de Bunschoten, zo van twaalf tot vijftien jaar, een onderlinge veldslag in de loopgraven te organiseren” aldus luidde de aanhef van het betreffende bericht.

Gewapend met stokken, gordijnroeden, houten zwaarden, en alles wat maar dienstbaar leek, waren zij die middag naar de hei opgetrokken. Ook vijf meisjes , die voor medische hulp zouden zorgen, liepen al giechelend achter de groep aan. Bij de loopgraven gekomen verdeelden de jongens zich in twee partijen, elk met een gekozen aanvoerder.

Na een teken van de leiders ging het, onder oorverdovende krijgskreten, op elkaar los. Vrijwel in het midden van het strijdterrein vond de botsing plaats en wat als spel was bedoeld werd al gauw bittere ernst. De gemoederen raakten verhit en de partijen timmerden op elkaar in dat het een lieve lust was,

De ruimte was beperkt, zodat ontwijken van de slagen vrijwel onmogelijk bleek. Het tumult trok nogal wat wandelaars, die op de hei van het fraaie herfstweer genoten, en aanvankelijk vanaf de  begane grond geamuseerd toekeken. Plotseling klonk een doordringende pijnkreet. Eén van de strijders had een dusdanige klap ontvangen dat hij zijn tranen niet kon bedwingen.

Tijdens de pauze die daardoor ontstond, bleek dat de strijd nog meer slachtoffer had opgeleverd: drie jongens met een flinke hoofdwond. Bij het zien van bloed lieten de verpleegsters het afweten. Tegen de werkelijkheid waren zij niet opgewassen, en ze gingen er als een haas vandoor. Eén van de omstanders vond het toen welletjes. Hij sommeerde de strijd te staken, en de wapens op een hoop te gooien.

De man had overwicht. Enigzins bedremmeld en schoorvoetend voldeden de jongens aan zijn bevel.
Ontgoocheld en tot hun schande nu ontwapend werd de vrede getekend en trok het stel eensgezind naar huis.

Hoewel niet altijd met een dergelijke felheid hebben zich hier wel meer van zulke spelletjes afgespeeld. Geleidelijk raakten de loopgraven in verval. De militaire autoriteiten keken er niet meer naar om. Voor hen die dit stukje hei nog weten te vinden vormen thans vage, begroeide greppels de enige sporen van een uitgestrekt terrein waar eens de Edese jeugd zo hartstochtelijk heeft gespeeld.

H.J. Nijenhuis (1985)