logo_Ede

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Boerderij De Slijpkruik

Aan het eind van de tegenwoordige Slijpkruikweg, rechts, even voor de drukke rijksweg, omgeven door een aantal zware bomen, ligt de hoeve "De Slijpkruik". Hoewel verbouwd en gerestaureerd bezit deze kapitale boerderij met opstallen, een eerbiedwaardige leeftijd. In het gemeentearchief bevinden zich nog bescheiden betreffende deze boerderij waarin schrijver dezes, dank zij de medewerking van de heer Das, gemeentearchivaris, wat kon grasduinen en mede daardoor een en ander kan vertellen, zonder uiteraard volledig te zijn.

Volgens de overleveringen telde ons dorp in het midden van twaalfde eeuw dertien boerderijen, ook wel hoeven genaamd, waarbij ook "De Slijpkruik", destijds nog "Sliepkruucke" behoorde. Verder nog tien andere behuizingen waar ongetwijfeld mensen met een smalle beurs hebben gewoond.

Immers deze dertien boeren bezaten gezamelijk alle rechten op het Edese bos. Mede daardoor waren deze bossen in verschillende stukken verdeeld die elk een eigen naam droegen, zoals "De Hoeve”, “Het Kattenbos”, “Het Brunobos”, “Het Gravenbos”, “Het Schoutenbos”, enz.

Oudere Edenaren herinneren zich deze namen wel en gebruiken die nog. Uit deze bossen haalden de boeren hun hout en brachten er in het najaar, als de eikels vielen, hun varkens heen, hetgeen de voerkosten laag hield.
Eerst werden de dieren met een brandijzer gemerkt, elke boer bezat zijn eigen merkteken, zodat er later geen ruzie kon ontstaan omtrent de eigendomsrechten van de krulstaarten.
Bovendien brachten de bossen aardig geld in het laadje door de jaarlijkse houtverkopingen: de veiling in 1691 leverde bijv. het lieve sommetje van f 1375,12 op, voor elke bezitter van een hoeve bijna f 106,-.
De bosrechten gingen door vererving van vader op zoon over, maar nieuw gebouwde boerderijen konden er geen aanspraak op maken. Het beheer van de bossen was opgedragen aan een bosrichter, een scheuter en bosschrijver, dit laatste baantje werd gewoonlijk toevertrouwd aan de koster-schoolmeester.
De eigenaar van "De Slijpkruik", als grootste hoeve, was tevens bosrichter; bij hem werden de bijlen en brandmerken bewaard.

De eerste officiële vermelding van "De Slijpkruik" dateert uit 1359; in genoemd jaar gaf Johan, graaf van Kleef, de boerderij en gronden in leen aan Randolph Randolphszoon, ook wel Randolph de Jager genoemd. Nadat er verschillende onbekende eigenaars zijn geweest, koopt, in 1607, Care! van Arnhem, heer van Kernheim, de boerderij voor zes honderd Joachim Thaler , een Duitse munt die een waarde bezat van dertig stuiver. Uit de koopakte blijkt hoe uitgebreid de bezittingen waren naast huis, schaapskooi en schuren, diverse percelen bouwland alsmede wei en hooilanden tot in Ederveen en Wageningen toe. Tevens nog een kleinere hoeve "De Eikelhof' in het Edese bos, later bij de Edenaren bekend als het huis van Piet Waanders, alles te samen een oppervlakte van drie en dertig morgen en honderd roede, ruim negen en twintig hectare.

Vanaf deze tijd heeft de boerderij steeds behoord tot de bezittingen van de heer van Kernhem, die daardoor tevens bosrichter werd en in de loop der jaren door ervaring en koop vrijwel het gehele Edese bos in handen kreeg. De verschillende boeren van "De Slijpkruik" in die tijd waren hielden ook schapen, hetgeen de thans nog aanwezige schaapskooi duidelijk aantoont. De schapen werden elke morgen, onder leiding van een scheper, naar de heide gedreven om daar hun kost op te scharrelen.

De boerderij bleek vrij duur in onderhoud; dan weer moesten staldeuren worden vernieuwd, de put slibte vaak dicht, of de schaapskooi vroeg om reparatie, allemaal kosten die amper door de inkomsten werden gedekt. In 1727 werd de zaak radicaal aangepakt door het gehele achterhuis te vernieuwen. Dertig jaar later was het bakhuis, waar oudergewoonte, de mensen bij zomerdag woonden, aan de beurt. Weer later begon het strodak aan alle kanten te lekken, reden om in 1772 de kap met pannen te bedekken.

Tijdens de Franse tijd blijkt er heel weinig geld voor onderhoud beschikbaar te zijn, in 1803 worden de aller noodzakelijkste reparaties uitgevoerd met sloophout van huize Kernheim, dat in 1902 werd afgebroken, om het volgend jaar in de huidige staat weer herbouwd te worden. Na 1813 besloot men geleidelijk grond te verkopen, Vele stukken waren onrendabel.
Als dan ook op twee en twintig februari 1853 een nieuwe pachter op de boerderij komt, zijn de landerijen tot zestien H.A. ingekrompen.

De nieuwe man was Hendrik van Heerikhuize, met hem zou een geslacht komen, dat heden ten dage, ruim honderd vijf en twintig jaar later, nog de boerderij bewoont en bewerkt. Wij willen in het kort de opvolging van deze aloude familie eens nagaan.

Comélis van Heerikhuize, geboren in 1752, wonende te Otterlo gehuwd met Catharina van de Craats, stond reeds als landbouwer ingeschreven. Uit dit huwelijk werd o.m. op 4 november 1791 een zoon Hendrik geboren, die later huwde met Jansje van Kernheim, geboren 25 Juni 1797. Hendrik, eveneens landbouwer, trok met zijn vrouw naar Ede en werd, zoals reeds gezegd, 22 februari 1853 pachter van "De Slijpkruik .Twintig jaar zou bij daar boeren, tot bij 1 maart 1873 overleed. Het echtpaar had vijf kinderen gekregen, waaronder zoon Comelis, geboren 7 september 1830.
Deze Cornelis die op 24augustus 1867 in het huwelijk trad met Gerritje Elisabeth van Roekel, werd, bij het overlijden van zijn vader, boer op de Slijpkruik. Deze pachter heeft een hoge leeftijd mogen bereiken, hij stierf 28 februari 1919 en werd op zijn beurt opgevolgd door zijn zoon, alweer Comelis, geboren 16 februari 1879. Cornelis huwde met Jannetje van Santen; hun huwelijk werd gezegend met zes kinderen, waarvan de tweede zoon, Jan geboren 31 augustus 1919. In 1949 pachter van de boerderij werd.

Tijdens zijn beheer zouden ingrijpende veranderingen plaats vinden; de boerderij waaraan de laatste jaren weinig onderhoud was besteed, maar die wel veel historische waarde bezat, kwam op de monumentenlijst.
In 1957werd begonnen met een restauratie die de boerderij weer in achttiendeeeuwse staat bracht, zij het wel voorzien van de moderne gemakken van deze tijd. Het achterhuis werd met vijf meter verlengd , schaapskooi en washok vernieuwd, terwijl het bakhuis een beurt kreeg.
Tijdens deze verbouwing bleef de familie van Heerikhuize, zo goed en kwaad als het ging, er wonen. De kosten werden betaald met bijdrage van Rijk, provincie, gemeente, Gelderse monumentenzorg en graaf Bentinck tot wiens bezittingen "De Slijpkruik" nog altijd behoorde. Het geheel was op dinsdag 23 september 1958 voltooid, hetgeen met een bijeenkomst van talrijke genodigden in de grote schuur , waarop de driekleur wapperde, werd gevierd. De restauratie, met zorg uitgevoerd, was schitterend geslaagd, vrijwel alles vernieuwd maar in de oude stijl.

De hooiberg, karakteristiek voor een boerdij is echter thans verdwenen. Een tiental jaar geleden zag de toen drie jaar oude Dirk van Heerikhuize een doosje lucifers te bemachtigen. Lucifers zijn er om vuurtje mee te stoken, wist Dirk deed dat met succes bij de hooiberg. Toen de ijlings gewaarschuwde brandweer arriveerde was er niets meer te redden. De hooiberg werd niet weer opgebouwd, voortaan werd het hooi in de korenkap geborgen.

Jan van Heerikhuize had al eerder de plaatselijke pers gehaald, toen zijn koe, Petra 4 in het voorjaar van 1955 het leven schonk aan drie kalveren. Dat was een compleet wonder; een tweeling komt nog wel eens voor. maar een drieling zelden. Vooral uit boerenkringen trok deze gebeurtenis heel wat belangstelling.

Helaas overleed Jan van Heerikhuize geheel onverwachts en nog betrekkelijk jong op 17 december 1972, zijn vrouw met zeven jonge kinderen achterlatend. Er kwamen zware en moeilijke dagen.

De tweede zoon, Jan, toen zestien jaar oud, zette met hulp van familieleden het bedrijf voort en is thans boer op "De Slijpkruik". Alleen, de beschikbare grond werd in de loop der jaren steeds minder door dorpsuitbreiding en wegenaanleg. Om het huis is nog wat grasland, een behoorlijke moestuin met daarachter "De Enk" een lap grond waar mais wordt verbouwd, en verder nog weilanden achter “De Kalverkamp" en langs de rijksweg.

De boerderij, die in 1970 eigendom van de gemeente werd, staat er nog altijd in volle glorie. Ondanks het toenemend verkeer heerst hier nog een landelijke rust met typische kenmerken uit het verleden. Tussen woon- en bakhuis, waar de aloude pomp staat, ligt een fraaie sierbestrating. In de schouw van het bakhuis bevindt zich een kunstig stuk smeedwerk, waarin de naam "De Slijpkruik" is verwerkt. Nog altijd is er de vrij ondiepe kelder met kruisgewelven, evenals de ruime deel, die in vroeger jaren dienst deed als dorsvloer. Wij zijn dan ook dankbaar dat een bord bij de ingang van de oprijweg te kennen geeft dat dit pand onder monumentenzorg valt en dus voor het nageslacht bewaard blijft.

H.J. Nijenhuis, "Ede in grootvaders tijd" Europese Bibliotheek – 1983