logo_Ede

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Zo rond de eeuwwisseling kwam de auto in opkomst, toen nog plechtig "automobiel" genoemd en omschreven als een voertuig op meer dan twee wielen, aangedreven door een verbrandingsmotor. Het veroorzaakte een hele ommekeer bij het vervoerswezen. Verschillende stalhouderijen, in Ede o.a. Van Laar, gingen met hun tijd mee en schaften zich zo'n modern vervoermiddel aan, al waren daardoor de koetsjes nog niet direct van de baan. Ook vestigde zich, omstreeks deze tijd een garagehouder van buiten in Ede, de heer Kleinsma. Deze begon in het koetshuis van een villa aan de Stationsweg, maar later verhuisde de zaak naar een pand aan de Grotestraat, vrijwel tegenover de oude kerk onder de naam "Edese Motorenhandel". Vele Edenaren zullen zich dit bedrijf, al jaren voor de tweede wereldoorlog overgenomen door de heer Robben, nog goed herinneren.

Hier hebben heel wat Edese monteurs hun eerste opleiding voor het autovak ontvangen. Zo ook de man waar wij ditmaal wat over vertellen, Jan Herikhuisen, om nu eens niet al te ver in het verleden te duiken.

Jan had zijn voorliefde om met auto's om te gaan niet van een vreemde, ook zijn vader A. Herikhuisen kon al met een dergelijk voertuig overweg, hoewel zijn technische kennis gering was. Hij werkte in het begin van deze eeuw bij baron Bentinck die de villa "Kieck Uyt" aan de Stationsweg bewoonde. Dit fraaie pand is al lang gesloopt, nu staat er een flatgebouw.

Auto_Bentinck

De Dion-Bouton van graaf Bentinck

Herikhuisen was eigenlijk tuinman van beroep en als zodanig aangenomen. De baron beschikte toen al als enige in ons dorp, over een auto, merk "De Dion Bouton", maar kon er zelf slecht mee uit de voeten. Daarentegen had Herikhuisen er "feeling" voor en werd al gauw tot particulier chauffeur benoemd. Dat daar een rijbewijs voor nodig was, interesseerde hem niet en de baron nog minder. Als deze laatste maar op de plaats van bestemming kwam, vond hij het al lang goed.

Zelfs maakte Herikhuisen met de baron een vakantietocht naar de Harz; bij de snelheid van die tijd een reis die dagen duurde. Omstreeks 1918 verhuisde de baron naar Arnhem en verzocht zijn tuinman/chauffeur mee te gaan. Deze dacht er niet aan zijn oude vertrouwde omgeving, hij woonde aan het Bettekamperpad, precies tegenover halte Ede-gemeentehuis, te verlaten. Hij aanvaarde een betrekking bij de heer v. Eeghen, die juist zijn nieuw gebouwde villa "De hoge Paasberg" had betrokken. Daar werd hij huismeester, of zoals zijn baas hem deftig noemde: "butler".

Nadat zoon Jan Herikhuisen de ambachtschool te Arnhem had gevolgd, elke dag met het lokale treintje dat vlak voor huis stopte, ging hij werken bij garage Robben. Aanvankelijk als hulpje voor alles verdiende hij daar meteen goed: tien gulden per week was in die tijd geen kleinigheid. Later bleek dat zijn vader elke week een tientje aan de garagehouder terugbetaalde op voorwaarde dat zoonlief ook werkelijk het vak zou leren en niet alleen maar benzine verkopen. Robben kreeg daardoor een goedkope knecht, maar hield zich wel degelijk aan de gemaakte afspraak. Na een half jaar reeds kon Jan met alle soorten auto's omgaan als de beste en werd er al vaak voor een rit op uit gestuurd.

Zo reed hij regelmatig met een T-Ford de bekende bakker Neuman, tevens beschuitfabrikant, die op bepaalde tijden zijn afnemers ging bezoeken, zij het zonder rijbewijs. Ook met de ziekenwagen van de militaire geneeskundige dienst moest Jan, of een andere chauffeur uit de garage, vaak op stap.

De dienst in Ede beschikte wel over een klein hospitaal en ziekenauto, maar niet over mensen die met de wagen konden omgaan. Moest een ernstige patiënt naar een ziekenhuis in Arnhem of Utrecht vervoerd worden, dan werd garage Robben gewaarschuwd. De baas zelf wilde voor geen geld met dit oude vehikel rijden, maar gaf één van de knechts de opdracht er voor.

Die ziekenauto was een Fiat die eerst aangeslingerd moest worden, hetgeen na korte of langere tijd meestal wel lukte.
De versnellingshandle bevond zich buiten de carrosserie en werd bediend door met de hand een zeiltje op te beuren dat de opening van het portier afsloot. Richtingwijzers ontbraken en als claxon fungeerde een soort hoorn met grote zwarte rubberbal, waar je krachtig in moest  knijpen. Voor verlichting waren twee koperen carbidlampen aangebracht met een rode petroleum lantaarn als achterlicht. Die lampen gaven in de winterdag de nodige problemen, daar het waterreservoir kon bevriezen.

Dat overkwam Jan eens toen hij onder leiding van een sergeant vijf zieken, waarvan twee ernstig, naar het hospitaal in Utrecht moest brengen. Het was winterdag en al in de avond toen zij vertrokken; bovendien vroor het behoorlijk terwijl sneeuwbuien het uitzicht bijkans onmogelijk maakten. Juist boven op de berg bij de piramide van Austerlitz begaven de lampen het. Doorgaan in dit weer zonder licht was, ook met de matige snelheid van die tijd, onverantwoordelijk. Dus zat er niets op dan bij het nabij gelegen hotel een ketel warm water te vragen om de waterreservoirs te ontdooien. Daar verstreek de nodige tijd mee zodat zij in het holst van de nacht in Utrecht aankwamen. Nadat de patiënten waren afgeleverd beslistte de sergeant dat zij in een kazerne zouden gaan slapen; het was geen weer om nu nog naar huis te rijden, zodat Jan de rest van de nacht in een krib doorbracht. Zulke dingen konden in die tijd gebeuren maar men kende nog niet de haast van deze tijd en meestal ging het wel goed.

In 1930, achttien jaar oud, nam Jan ontslag met het doel een taxibedrijf te beginnen. Nu werd het evenwel zaak over een rijbewijs te beschikken. Het behalen van dit document was in die dagen nog vrij simpel, en kostte geen handenvol geld.
Jan verzocht op het gemeentehuis een uittreksel van het geboorteregister, leende voor een paar uur een Chevrolet en reed naar Rhenen, waar de examinator woonde. Deze man, een rijkgeworden steenfabrikant, deed dit baantje er meer voor zijn genoegen bij. Nadat hij bij het statige herenhuis had aangebeld, werd geïnformeerd waarvoor hij kwam. "Ik zou graag een rijbewijs willen hebben", aldus Jan, een beetje timide. "Nou dan loop ik even mee naar de weg om te zien of jij rijden kunt", was het antwoord. Daar gekomen startte Jan, reed een paar honderd meter en kwam, achteruit rijdend, weer terug. De examinator, die rustig bij het tuinhek was blijven staan, concludeerde, nadat Jan stilstond: "Het is in orde, jij krijgt je rijbewijs".

Dat ging vlot, maar nu nog een auto: Jan had zuinig geleefd en vierhonderd gulden gespaard. Laat nu juist voor dat bedrag in Amsterdam een tweedehands Chevrolet te koop staan. Op een zaterdagmorgen reed hij per stoomtrein naar de hoofdstad: na wat keuren en onderhandelen werd de koop gesloten. Zijn laatste gulden besteedde Jan om 20 liter benzine te kopen en reed 's avonds over totaal onbekende wegen, triomfantelijk in zijn eigen auto, naar huis.

Het was inmiddels laat geworden, Amsterdam-Ede was in die tijd een hele afstand, zodat bij thuiskomst de hele familie al naar bed was. Dus zette Jan de wagen voor de ouderlijke woning en kroop eveneens onder de wol..

De auto bracht de volgende morgen de nodige sensatie: over het Bettekamperpad kwamen vrij veel kerkgangers die hun mening niet onder stoelen of banken staken. Zij vonden het maar ergerlijk op zondag zo'n uitvinding van de duivel vlak voor het huis, en liepen er met een boog omheen.

Vader Herikhuisen zat dat ook niet lekker, Jan moest op een garage uit. Na enige omzwervingen vond hij voor de auto onderdak in het koetshuis van hotel "Buitenzorg".

Het eerste Edese taxibedrijf was een feit: per advertentie werd de gemeenschap er van in kennis gesteld. Voor zes cent per kilometer konden de mensen van zijn diensten gebruik maken. Een rit met chauffeur naar Arnhem kostte drie gulden, dito naar Amsterdam een tientje. Die garage bij "Buitenzorg" was een goede vondst; mocht één der vele gasten een taxi nodig hebben, dan was Jan via de achtertuin direkt bereikbaar. De zaak verliep naar wens, al gauw kon de oude Chevrolet ingeruild worden voor een nieuwe Morris, hetgeen de comfort aanmerkelijk verhoogde.

In het najaar, als verschillende jachtpartijen werden georganiseerd, had Jan het bijzonder druk. Vaak was hij dan hele dagen in dienst van de jagers, in de middagpauze reed hij dan vanaf hotel "Buitenzorg" met een grote pan erwtensoep en het nodige bestek naar de rustplaats in het bos waar de jagers al ongeduldig op de snert zaten te wachten. 's Avonds werd er in het hotel nog wat nagekaart, waarna verschillende mensen naar huis werden gereden.

Eén van de jagers woonde in Bloemendaal en Jan moest hem daar altijd heen brengen. Hoewel goed in de slappe was, knibbelde deze klant altijd aan de prijs, die eigenlijk twaalf en halve gulden moest bedragen, maar hij vond elf gulden genoeg.

Nog sterker maakte die klant het eens vlak voor Kerstmis. Het was een succesvolle jacht geweest, in de achterbak lagen tientallen hazen en konijnen. Onderweg merkte Jan zo terloops op dat hem met de feestdagen ook wel een boutje zou smaken. Bij aankomst in Bloemendaal kreeg hij prompt twee konijntjes, maar wel trok de jager daarvoor tachtig cent van de ritprijs af.

Ja, een taxichauffeur treft allerlei soort mensen aan: royale en met de knip op de portemonnee, opgewekte en sombere klanten, Jan heeft in zijn werk heel wat mensenkennis opgedaan. In 1939 trouwde hij en verhuisde naar de Paasbergerweg. Juist dit laatste jaarvoor de wereldoorlog kocht hij bij garage van Laar een nieuwe Ford Sedan voor f 1100,-, maar hij zou er niet lang mee rijden.

In 1940 moesten alle auto's worden ingeleverd, maar Jan was wel wijzer. Hij verborg de wagen, met haar toestemming, bij mevrouw van Voorthuizen aan de Molenstraat. Goed weggestopt onder het hooi is de auto daar in goede staat de oorlog doorgekomen en na de bevrijding direkt startklaar. De eerste tijd was het rijden voor de voedselvoorziening en doktoren bij verre visite's. Later, toen een en ander weer in goede banen was geleid, ging het taxibedrijf op de oude voet verder. In 1945 verhuisde Jan Herikhuisen naar de Klinkenbergerweg terwijl hij in 1970, om gezondheidsredenen met zijn zaak stopte, die hoewel van bescheiden omvang gebleven, hem een goed en afwisselend bestaan heeft gebracht.

H. J. Nijenhuis Ede Stad 2 mei 1979