logo_Ede

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

EDE STAD 28/11/79

Lunteren Los van Ede (II)

In aansluiting op ons vorig verhaal thans een beknopt overzicht van de acties in Lunteren. De Lunteranen vormden door de tijden heen een hechte gemeenschap, voelden zich sterk op elkaar aangewezen en waren wars van inmenging van buitenaf. Heel vroeger, een vierhonderd jaar geleden, vormden zij zelfs het grootste dorp van de gemeente, beter gezegd, ambt Ede. De pastoor van Ede, Johan Arntz liet, om Lunteren bij het bisdom Utrecht aan een eigen parochie te helpen, in 1570 een woningtelling te houden. Daaruit kwam vast te staan dat Lunteren met de buurtschappen de Valk en het Woud, honderd en twintig huizen telde tegenover Ede en omgeving slechts vijf en negentig.
Maar sindsdien had het hoofddorp Lunteren al lang overvleugeld, zo zelfs dat veel Lunteranen meenden dat zij maar een bijwagen vormden. Met hun belangen werd huns inziens weinig rekening gehouden, vooral het laatste oorlogsjaar, met slechte en moeilijke verbindingen betekende een gang naar het gemeentehuis of distributiekantoor een moeilijke en soms een gevaarlijke opgaaf. Daarom wilde men, na verlost te zijn van de Duitse bezetting, meteen maar een stapje verder.

Er werd een comité opgericht dat de plannen om Lunteren tot zelfstandige gemeente te verheffen moest verwezenlijken. Terwijl de bevolking met de Canadezen nog volop het bevrijdingsfeest vierde, trokken reeds collectanten er op uit om het comité de nodige financiële armslag te geven. Vooral de Canadezen, die geen flauwe notie hadden omtrent de bestemming van het geld, gaven met gulle hand. Het gros van de bevolking stond weliswaar achter de plannen, maar men verzuimde een behoorlijk bestuur in het leven te roepen. Alle zaken werden overgelaten aan de heren Menger en Mulder, resp. voorzitter en secretaris. Dit duo ging onvervaard aan het werk op; op 28 juli 1945 stuurden zij een brief vol klachten naar B. en W. van Ede, die het schrijven voor kennisgeving aannamen.

Men kreeg dus geen antwoord en zocht het hogerop; 18 augustus van genoemd jaar ging een verzoekschrift naar de minister van Binnenlandse Zaken waarin werd gevraagd Lunteren tot een zelfstandige gemeente te verheffen. Dat was sterke taal, maar de aangegeven redenen waren minder sterk. De brief begon met een frontale aanval tegen het beleid van de burgemeester en zijn houding tijdens de bezettingstijd. Niet erg steekhoudend, daar de man na het uitbreken van de oorlog al spoedig vervangen werd door een NSB functionaris. Ondanks zijn passiviteit gedurende de achterliggende jaren, zo ging de brief verder, werd hij na de bevrijding op 17 april 1945 door Militair Gezag onmiddellijk weer als burgemeester aangesteld. Daar koos hij zijn medewerkers naar het hem goed dacht en stelde een gemeenteraad samen naar de politieke verhoudingen van voor de oorlog, zonder rekening te houden met de veranderde omstandigheden.

De minister toonde al evenmin veel haast; ongeduldig geworden stuurde de heer Mulder op 27 december 1945 een telegram naar den Haag om zijn geheugen op te frissen waarop 3 januari 1946 al antwoord kwam. Hierin werd medegedeeld dat de minister de nodige voorlichting omtrent de kwestie had gevraagd bij de huidige burgemeester van Ede.

Het comité was zeer verontwaardigd, de minister had er beter gedaan zich tot de ontevreden Lunterse bevolking te wenden. Nu werd ook de pers ingeschakeld; de Edese Courant bracht verslagen van bijeenkomsten en “Het Vrije Volk” van donderdag 23 januari 1946 wijdde er, onder het hoofd “Lunteren vraagt zelfstandigheid” een artikel aan. Op 21 februari ging opnieuw een schrijven naar de gemeenteraad, waarin ditmaal ook wat reële klachten naar voren kwamen. Dankzij de gemeentearchivaris kunnen wij er enkele passages uit laten volgen.

“Het burgercomité “Lunteren Los van Ede”, is opgericht ter behartiging der belangen van het dorp Lunteren en buurtschappen als gevolg van een diepgewortelde ontevredenheid over de tot heden gevolgde gang van zaken. Dat de geestelijke en materiële en economische belangen van de bevolking in dit deel van de gemeente volstrekt geen gelijke tred houdt met het dorp Ede zelve. Dat alle openbare diensten als daar zijn secretarie, sociale zaken, distributiekantoor, en politie, al geconcentreerd zijn in Ede, waardoor hier ongeveer 7200 inwoners voor elke aangelegenheid en dan altijd op een werkdag want alleen dan zijn de kantoren geopend, een tocht, heen en terug gerekend van 15 km. moeten maken”.

Tot zover een gedeelte van de brief, maar na deze begrijpelijke klachten komt men weer terug op de burgemeester, die wordt beschreven als een man uit de oude feodale school, wars van alles wat naar vernieuwing op democratische grondslag zweemt. Na 17 april 1945 werden talrijke ambtenaren aangesteld met terzijdestelling van gegadigden uit de buitendorpen. Veel bevorderingen onder het politiepersoneel vonden plaats, maar juist Lunteren werd gepasseerd. Het comité komt tot de conclusie dat men deze burgemeester niet langer het vertrouwen kan schenken, maar dat hij plaats dient te maken voor een jonger, democratisch denkend man, waardoor het nepotisme zal verdwijnen.
Men windt er geen doekjes om; in deze trant gaat de brief nog een tijdje door om dan vrij mat te besluiten, niet met de reeds zo bekend geworden leuze, maar met een paar simpele wensen. Wij citeren opnieuw:

“het burgercomité “Lunteren Los van Ede”, verzoekt derhalve Uw Raad ernstig in overweging te willen nemen een hulpsecretarie te vestigen met voldoende accommodatie en competent personeel, om aldaar te kunnen afdoen alle gewone zaken, ressorterende onder één der vorengenoemde diensten opdat de naar voren gebrachte grieven en belemmeringen grotendeels worden opgeheven, althans tot wat bescheidener omvang worden teruggebracht. Zijn materiele en morele steun te verlenen aan de onlangs hier tot stand gekomen “Stichting Concerthal Lunteren” met als doel de oprichting van een gebouw van voldoende grootte om de verschillende geestelijke en culturele behoeften van de bevolking te bevredigen”.

Dit schrijven, waarvan de laatste wens geheel nieuw was, werd in de gemeenteraadsvergadering van 27 maart 1946, als punt veertien van de agenda behandeld. Reeds eerder, op de vergadering van 6 februari daaraan voorafgaand, had de burgemeester op een vraag van de heer De Jager, al antwoord gegeven op de aantijgingen hem door het comité verweten en deze verontwaardigd van de hand gewezen, tot voldoening van de gehele raad. De burgemeester noemde de actie stuntelig, onwaardig en ondemocratisch. Reden dat B. en W. er weinig voor voelden met de heren contact op te nemen. Ook in de genoemde vergadering van 27 maart ontvingen de heren Menger en Mulder geen enkele steun. Wij willen er even op wijzen dat het destijds nog de noodgemeenteraad betrof en hier verschillende mensen zitting hadden die later in het politieke leven van Ede geen rol meer hebben gespeeld. Verscheidene sprekers voerden het woord; zo merkte de heer Voûte op dat er altijd in een grote gemeente als Ede wel wrijving zal blijven bestaan tussen hoofd en nevendorpen. Hij kan het adres van het comité dan ook onmogelijk serieus noemen.

De heer Gerritzen ziet het nut van een hulpsecretarie niet zitten; Otterlo en Harskamp liggen nog verder weg en klagen nooit. Als een vader voor een geboorteaangifte tien maal in zijn leven naar het gemeentehuis moet is dat al erg veel. Het distributiekantoor is overigens geen gemeentelijke instelling; hier heeft de raad geen enkele zeggenschap. Nadat o.a. de heren De Nooy, Hey, de Groot en Keern de zaak van verschillende zijden belicht hadden en eveneens tot een afwijzend oordeel kwamen, werd met algemene stemmen de volgende motie, ingediend door de heer Gerritzen, aangenomen:

“De Raad, kennis nemende van de beschuldigingen tot de persoon van de burgemeester gericht door het comité “ Lunteren Los van Ede”, gehoord de debatten die naar aanleiding hiervan in de raadsvergadering zijn gevoerd, stelt vast dat de burgemeester in deze geen blaam treft, acht de klachten ongegrond: er is dus geen aanleiding om deze actie “Lunteren Los van Ede” enige verdere aandacht te schenken".

De burgemeester dankte voor het in hem gestelde vertrouwen waarmede de kous af was. De heer Menger vertrok al spoedig naar Otterlo waar hij pachter was van het natuurbad “De Zanding”. De opwinding bij de Lunteranen verdween en de actie stierf een zachte dood. De enige die bij het hele gebeuren zijde heeft gesponnen was de muziekvereniging “Kunst Na Arbeid”. In het begin van de vijftiger jaren deed zich bij het corps de wens om uniformen te bezitten voelen, maar de financiën bleven een struikelblok. Tot een bestuurslid zich herinnerde dat er destijds in de kas van het comité een behoorlijk bedrag had gezeten, dat onmogelijk besteed kon zijn met alleen wat brieven schrijven. Er werd contact opgenomen met de heer Menger en het klopte; prompt werd KNA ongeveer f. 5000,- overhandigd, een mooie basis om de begeerde uniformen aan te schaffen.

Hoewel de doelstellingen van het comité niet bereikt werden, heeft het muziekkorps en door hen de hele plaatselijke bevolking toch profijt gehad van de triomfantelijke leuze: “Lunteren Los van Ede”.

H.J. Nijenhuis