logo_Ede

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Vanaf huize Kernhem loopt een statige laan met een dubbele rij beuken in oostelijke richting, om te eindigen op een kleine heuvel in het Edese bos. Dit is de Doolhoflaan, die eindigt op de Lodel, ook wel het Gravenbergje genaamd. In de achttiende eeuw is op dit heuveltje, waarvan (zeer waarschijnlijk ten onrechte) wordt vermoed dat dit een grafheuvel uit de Bronstijd is, een in die tijd op landgoederen als Kernhem populair landschappelijk element aangelegd, een Doolhof.

Kort voordat de Doolhoflaan eindigt in de Doolhof ligt middenop de laan een grote zwerfsteen. Deze draagt de naam "Bloedsteen".  Over deze Bloedsteen schreef Nijenhuis:

Bij de ingang van De Doolhof, vroeger een leuk aangelegd, maar thans verwaarloosd stukje bos even achter de algemene begraafplaats, ligt sinds jaar en dag een steen van grote afmetingen. Deze zwerfkei werd eens, in vroeger jaren tijdens het grint graven op de Doesburgerheide, gevonden door een zekere Steven Bosch. Drie grintgravers besloten het gevaarte een passende plaats op het kerkplein in Ede te geven.

Daar het terrein geleidelijk bergafwaarts liep, kostte dit transport, door steeds wentelen, aanvankelijk weinig moeite. Bij het kerkhof aangekomen werd de inspanning te groot, dus lieten ze de steen daar maar liggen. In 1930 werd de begraafplaats uitgebreid, waardoor de kolos moest verdwijnen en met hulpmateriaal van de Edese Machinefabriek naar de doolhof verhuisde.

Het verhaal ging dat, als men met een speld in de steen prikte, er bloed uitdruppelde, hetgeen natuurlijk nergens op slaat, maar toch sprak men altijd van de Bloedkei. Half oktober 1962 ontdekte de bosbaas tot zijn verbazing dat die bloedkei was verdwenen. De politie werd ingeschakeld en het spoor leidde naar de Wageningse studentenvereniging St. Franciscus Xaverius. Deze vereniging vierde dat jaar haar vijftigjarig bestaan en in verband daarmee moesten veertig nieuw ingeschreven leden als ontgroeningsopdracht de steen ongemerkt roven en op de Wageningse markt deponeren. De Bloedkei, door hen omgedoopt tot Abraham (doelend op de vijftig jaar studentenleven) zou dan als jubileumgeschenk aan het stadsbestuur worden aangeboden.

Hoe de studenten het karwei klaarden, de steen weegt ruim vier ton, bleef een raadsel. Wel stond vast, dat de opdracht correct was uitgevoerd, hetgeen de Edese politie een paar dagen later vaststelde. Met deze gang van zaken kon men in Ede natuurlijk geen genoegen nemen. De Bloedkei moest terug. Vrijdagnacht 19 oktober 1962 trokken vijf boswachters onder leiding van de heer Ossekoppele, de bosbaas van Kernhem, per vrachtauto, waarop een grote grijper was geplaatst, naar Wageningen. In het duister lag daar de markt eenzaam en verlaten; in het licht van de koplampen en met behulp van het meegebrachte moderne materiaal, bleek het een koud kunstje Abraham op de wagen te laden. Alvorens weg te rijden werd op de nu lege plaats een door de Edenaren meegebrachte steen van veel kleiner formaat gelegd, volgens het opschrift Izaak genaamd, met daarbij het volgende fraaie dichtwerk:

“Aan Abraham’s steen, een kei als een koe
Daar zijn de Wageningers nog lang niet aan toe
Waar veertig studenten zich rot voor beulden
En Abraham’s kei naar Wageningen zeulden
Hij kwam in een uurtje terug door Edenezen
Nu mogen ze hier blij met Izaak wezen”.

Zo kwam de geroofde Bloedkei weer terug waar hij hoorde in Ede, en hernam zijn oude vertrouwde plaatsje bij De Doolhof.

H.J. Nijenhuis, Edesche Courant 08-02-1986