logo_Ede

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Plankenwambuiskop

Het Gemeentearchief  van Ede, dat ook Erfgoededucatie in het takenpakket heeft, publiceert met regelmaat over tal van onderwerpen uit de gemeente Ede. Zo ook over het Planken Wambuis, een restaurant aan de provinciale weg N224 tussen Ede en Arnhem. In 2014 is, in de door het Gemeentearchief Ede uitgegeven reeks, een Historisch Cahier verschenen over de geschiedenis van het landgoed Planken Wambuis. De titel is “Een oase in de wildernis”.

Het landgoed heeft zijn naam ontleend aan de herberg annex boerderij, die in 1782 gebouwd is in opdracht van de Assuer Jan Torck, heer van Rosendaal.De naam komt voor het eerst voor in een pachtacte uit 1789. De omschrijving luidt dan: “Houten off Planken Wambuis, gelegen in het Reemsterveld, bestaande uit Huys Hof en Koorenlanden”.

De naam Planken Wambuis heeft de tijd doorstaan, en is geleidelijk aan ook in gebruik gekomen voor het omliggende gebied. Zo gaf een eenzame herberg een naam aan een groot landgoed. De naam Planken Wambuis was en is aanleiding voor veel speculaties omtrent de betekenis.

Dat bleek ook tijdens het, naar aanleiding van het verschijnen van het boekje, door het Gemeentearchief georganiseerde “Historisch Café”, waar de bezoekers naar de betekenis van de naam gevraagd werd. En ook in het boven aangehaalde Historisch Cahier wordt gepoogd een verklaring voor de naam te geven. In een artikel in de Kennisbank van het Gemeentearchief van Ede valt te lezen dat de meest gehoorde uitleg voor de  naam die van “doodskist” is. Dat is op zich niet onjuist.

Maar in het boekje valt te lezen: “Bij de herberg stond een grote schuur die van boven breder en wijder was dan op de grond. Zo konden hoog beladen hessenwagens makkelijk naar binnen rijden (en deze aan de andere zijde weer verlaten). Het model van zo'n schuur komt wel overeen met een doodskist: ook van boven breder dan van onderen. In de volksmond werd een doodskist ook wel een planken jas genoemd. Een wambuis is een soort kiel die boeren vroeger droegen. Een wambuis van planken moet dus wel haast doodskist betekenen”.  

Deze uitleg is onbevredigend, en op onze lijst “dingen om te doen” stond daarom al heel lang het schrijven van een tekst over een wel bevredigende, op bronnen gebaseerde duiding van de naam “Planken Wambuis”.  De “spraakverwarring” tijdens het “Historisch Café”, alsmede de publicatie van “Een oase in de wildernis” waren was de aanleiding om dit verhaal eindelijk eens te schrijven.

Voor artikelen in de Kennisbank mogen alleen bronnen gebruikt worden die zich in het Edese gemeentearchief bevinden. Dat is een ernstige beperking, omdat daardoor het onderzoeksveld voor een Kennisbank-auteur zeer beperkt wordt, en daardoor snel niet geheel juiste teksten oplevert. Die bronnen in het gemeentearchief zijn, in dit geval, een boek van Snijders, “Ede op de Veluwe”, alsmede een drietal verzamelingen van voornamelijk krantenknipsels, respectievelijk de Documentatieverzameling Gemeente Ede, idem Kesteloo en idem Hartgers.
Geen van deze vier bronnen noemt echter de beschreven schuur en zijn asymmetrische bouwwijze.

Het lijkt er een beetje op dat dit een literaire vrijheid van de auteur is, c.q. dat er sprake is van gebruik van niet genoemde bronnen. Want het "doodskistverhaal" komt elders vaker voor. Overigens is het artikel in de Kennisbank uit 2009. En het doodskist-verhaal is bekend uit 1994, en is gepubliceeerd in “De Schouw”, het blad van de Vereniging van Vrienden van de Hoge Veluwe ii. Maar dit artikel is niet als bron genoemd bij de tekst in de Kennisbank.

Opmerkelijk is wel dat de verklaring “houten bouwwerk” door de redactie van “De Schouw” wel aangestipt wordt, maar vervolgens niet nader wordt onderzocht of onderbouwd. De auteurs van “Een oase in de wildernis” waren niet beperkt in hun bronnenmateriaal tot de inventaris van het Edese gemeentearchief, maar kwamen ook niet tot een bevredigende verklaring van de naam.

Eén van de grote voordelen van het Internet is dat in een steeds hoger tempo steeds meer informatie toegankelijk wordt gemaakt. Dat is een goede zaak, kennis moet gedeeld worden. En, natuurlijk, ook gebruikt. Een wel zeer fraaie toegang is die van het WNT, het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Samengevat: hierin zijn alle woorden opgenomen die in teksten voorkomen. En de verzameling bestrijkt de periode van ca. 500 tot 1976.  Zoeken op “Wambuis” levert een drietal verklaringen op.

Ten eerste, uiteraard, de bekende: “een kledingstuk”. Ten tweede een al minder bekende: “buik”. En ten derde: “in verscheidene figuurlijke en overdrachtelijke toepassingen, vooral als verb. “houten (soms:  planken) wambuis” “. Vervolgens wordt er een aantal voorbeelden gegeven. Waaronder: “In toep. op een landhuis. Nog bekend in toponiemen. Zie voor de verb. planken wambuis Dl. XII, 2262. Gewest. ook: plankenhut. Een illustratie van dergelijke houtbouw vinden we in “Gelderland”, een uitgave van de  Prov. Geldersche VVV"

houtenhuis

Ergo: met een planken wambuis werd een gebouw, een huis op het platteland bedoeld. Het Edese “Planken Wambuis” voldoet daaraan, 't staat nog steeds ver buiten de bewoonde wereld. Maar veel gebouwen, ook het platteland, zijn van steen. Er ontbreekt dus nog een stuk van de verklaring. De sleutel daarvoor is te vinden in een artikel van W. Albers, verschenen in 1984 in het “Jaarboek Achterhoek en Liemers”.  Hij beschrijft daarin de herberg-boerderij “Het Houten Wambuis onder Zutphen”.  Dat artikel is moeilijk toegankelijk, voor een kopie van de acht pagina's wordt meer dan elf euro verlangd (sic!). Maar het relevante deel van de tekst is gelukkig opgenomen  in het verslag van een archeologisch onderzoek naar (de restanten van) deze oude Zutphense herberg.

De heer Groothedde van de afdeling Archeologie van de gemeente Zutphen was zo vriendelijk mij dit onderzoek ter beschikking te stellen. In dat onderzoeksverslag wordt geschreven : “De naam “Houten Wambuis” zelf was een veel voorkomende naam voor herbergen. In een inventarisatie uit 1984 (deze inventarisatie is opgenomen in het artikel van Albers J.K.) werd de naam, of een variatie daarop aangetroffen in Ede (Planken Wambuis), Rossum (Houten Wambuis), Rozendaal (Planken Wambuis), Texel (Wambuis), Diever (Houten Wambuis), Brugge (Houten Wambaeys), Adeghem (Wambuis) en Eeclo (Wambuys). Waarom de naam zo populair was is niet geheel duidelijk. “Houten Wambuis” was een algemene kenning voor een dood(s)kist: een houten “jas” die de dode aankreeg. Een wambuis, buis of wammes is na de middeleeuwen een kort jasje, maar was oorspronkelijk een lang gewatteerd kledingstuk dat onder de maliënkolder werd gedragen. Het grondwoord hiervan vinden we terug in het Gotische woord “wamba”, dat buik betekent. Het is ook verwant  aan het Engelse woord “womb”(baarmoeder). Ook in het Nederlands komen we het woord “wamme” nog tegen in de betekenis van buik en ingewanden. Uiteraard is er in dit geval ook een link met de houtbouw van de eerste fase van de (Zutphense J.K.) herberg. Dit laatste zal overigens bij veel herbergen die net buiten de stadsmuren lagen het geval zijn geweest: officieel mocht hier om defensieve redenen alleen in hout gebouwd worden”.

De parallel tussen baarmoeder en herberg is voor de hand liggend: beide bieden een beschutte tijdelijke verblijfplaats. Tijdens een reis, zou men daaraan kunnen toevoegen. We zijn dus een flink stuk verder gekomen: het Edese “Planken Wambuis” was de naam die gegeven werd aan een herberg. Een herberg uitgevoerd in houtbouw. Net als vele herbergen, zeker als ze net buiten de stadsmuren lagen. Dan stonden ze immers in het schootsveld van de verdedigers van de stad, en moesten daarom zo nodig snel gesloopt, c.q. afgebrand, kunnen worden. Bovendien was bouwen in hout voordeliger dan bouwen is steen.

Blijft nog over die schuur die bij de Edese herberg gestaan moet hebben. Van boven breder dan van onderen, zo schrijft de Kennisbank. Dat valt te betwijfelen. Bij veel herbergen die aan een doorgaande route lagen stond een zogeheten “doorrijstal”, een schuur met aan beide uiteinden dubbele openslaande deuren. Dergelijke stallen stonden doorgaans pal aan de weg, en de gevels met de deuren waren vaak naar de weg toe gekeerd. Een koetsier kon daardoor vrij eenvoudig zo'n stal in- en uitrijden.  De bouwwijze was verder traditioneel. Er werd een inpandige draagconstructie  gebruikt, een gebint, met daarop een zadeldak. De vrije ruimte tussen de palen van het gebint, en de hoogte onder de liggers van het gebint bepaalden de voor voertuigen beschikbare  ruimte. Het waren de deurafmetingen die de maximaal toelaatbare afmetingen van een koets of wagen bepaalden. En die deuren waren van boven en van onder altijd even breed.  Omdat een gebint een rechthoekige ruimte (de “deel”) oplevert,  is het zeer onwaarschijnlijk dat de schuur bij het Edese Planken Wambuis aan de bovenkant breder was dan aan de onderzijdezijde, ook al omdat er dan een probleem ontstond met de  uitvoering van de deuren. Er zijn vrij veel afbeeldingen van dergelijke doorrijstallen bekend, en die vertonen allemaal het beschreven beeld. Het is daarom niet aan te nemen dat de stal bij het Edese Planken Wambuis, àls die er ooit gestaan heeft, de in de Kennisbank genoemde afwijkende vorm had.

Een nog goed bewaard exemplaar van een doorrrijstal staat bij Woeste Hoeve. Op een oude foto van die locatie zien we zelfs aan beide zijden van de weg zo'n doorrijstal. Maar dat punt vormde dan ook een kruispunt van een noord-zuid route (Arnhem-Harderwijk) met een oost-west verlopende (Deventer-Barneveld). De foto komt van http://www.geheugenvanapeldoorn.nl.

 

De conclusie moet dan luiden: het Edese Planken Wambuis was oorspronkelijk een in hout uitgevoerde boerderij annex herberg, traditioneel gebouwd. Er kàn, zoals bij veel herbergen,
een doorrijstal bij hebben gestaan, dat is echter in de bronnen niet te achterhalen. Maar als er een dergelijke doorrijstal bij de herberg  heeft gestaan zal deze qua bouwwijze niet hebben afgeweken van de daarvoor gebruikelijke vormgeving zoals die op oude afbeeldingen nog te zien is.  De naamgeving van de herberg het Planken Wambuis heeft geen aantoonbaar verband met de bouw van een doorrijstal in de vorm van een doodkist.

Het artikel in de Kennisbank van het Edese Gemeentearchief zou daarom aanpassing verdienen.  Net als overigens de toelichting bij “het Planken Wambuis” in de beschrijving bij de Cultuurhistorische Waardenkaart. Maar die kaart annex beschrijving is binnenkort, als we het goed hebben, toch aan herziening toe.

Overigens stonden dergelijke doorrijstallen, zoal niet bij het Planken Wambuis, op meerdere plaatsen in de gemeente Ede. O.a. bij Floor in Lunteren (maar dat was dan ook een officieel "wisselstation" voor de paarden van de postkoets van Bouritius, die van Amsterdam op Arnhem v.v. reed), bij de Posthoorn in Ede, en bij De Klomp.

Toevoeging:  een bezoeker van de site wijst er op dat de mogelijke gevoelswaarde van de naam "Planken Wambuis", zoals in het artikel genoemd, in de zin van "beschutte tijdelijke verblijfplaats een parallel zou kunnen hebben met de naam van een herberg die rond 1700 in Aalmeer stond: "Slopschoe". Want een slopschoe was in die tijd een soort pantoffel, in de vorm van een slipper. Dus ook iets wat door omhulling zorg droef voor beschutting.

Toevoeging 2: Na her gereedkomen van bovenstaand artikel kwam nog een tekst in beeld van de heer Rentenaar. In het blad "Naamkunde" (1987, 1-4) heeft hij een studie gepubliceerd over de naam 'Planken Wambuis' . De bevindingen van de heer Rentenaar, hoewel gebaseerd op een veelomvattender onderzoek, gaven geen aanleiding tot het herzien van bovenstaand artikel. Wel is interssant dat hij in het persoonlijke exemplaar van de auteur van "Veldnamen in Nederland" de aantekening vond dat naam van de herberg bij Otterlo (dat is "ons" Planken Wambuis") aldaar wel als synoniem voor doodkist werd gezien. Dit is mogelijk de niet gedocumenteerde bron voor de in Edese bronnen gegeven verklaring van de naam. Het artikel van de heerRentenaar isonder het tabje "Downloads" te vinden. De link is Rentenaar Planken Wambuis