Hits: 7696
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 


n de jaren dertig van de vorige eeuw, tussen beide Wereldoorlogen, was er sprake van een zware economische crisis, ook in Nederland. Eén van de gevolgen was een grote werkloosheid. De overheid probeerde de gevolgen daarvan op te vangen, maar dat was niet eenvoudig. Eén van de manieren om er iets aan te doen was het inrichten van Rijkswerkkampen, waar werkloze mannen, tegen ìets meer dan de schamele werkloosheidsuitkering, gedurende  een aantal maanden te werk werden gesteld. Daar kon een werkloze zich aan onttrekken, maar dan verviel zijn aanspraak op de werkloosheidsuitkering. Om zo veel mogelijk mannen aan het werk te zetten mocht er zo weinig mogelijk gebruik worden gemaakt van technische hulpmiddelen. Schop, kruiwagen en kipkarren, dat was het wel.

Een probleem apart vormden de werkloze jongeren. Daarvoor was  de uitzichtloosheid van de werkloosheid, het gebrek aan toekomst, een extra probleem. Die jongeren waren veel moeilijker te verplichten tot werken in de werkverschaffing. Ze waren immers geen kostwinner, en hadden daarom geen recht op een uitkering. Die kon dus ook niet afgepakt worden als een tewerkstelling geweigerd werd. Zonder de binding van een gezin zouden ze gemakkelijk kunnen afglijden.
Daar werd, gedeeltelijk, een oplossing voor bedacht. De overheid financierde bouw en inrichting van werkkampen voor jeugdige werklozen, waar telkens voor een periode van enige maanden een groep jongens (of meisjes) aan de slag kond. Naast kost en inwoning kon er ook een bescheiden “zakgeld” worden verdiend. Voor wie niets heeft is ook weinig al veel. Het oprichten van een kamp werd overgelaten aan het particuliere initiatief, aan daarvoor opgerichte verenigingen en comité's.  Anders dan bij de werkkampen voor volwassenen was bij de jeugdkampen duidelijk sprake van scheiding der geesten. Er kwamen projecten met een katholieke, protestantse en sociaal-democratische signatuur.

In de gemeente Ede waren meerdere werkkampen voor jeugdige werklozen. Op de Born in Bennekom werd werkloze meisjes een opleiding in huishoudelijk werk gegeven, in Lunteren werd het huis De Scheleberg gerealiseerd, en aan de oostelijke rand van de Ginkelse Hei verrees het jeugdwerkamp 't Wijde Veld. Dit kamp was opgericht door de “Centrale voor Werklozenzorg gesticht op initiatief van den Raad van Nederlandse kerken voor praktisch Christendom”.
Het kamp bood ruimte aan honderd jonge mannen die daar “zowel moreel als metterdaad steun zullen ontvangen”. De bewoners van 't Wijde Veld werkten voor de Heidemij, o.a. werden er fietspaden aangelegd en wegen verbeterd, m.n. op de landgoederen Ginkel en Planken Wambuis

Toen de tweede Wereldoorlog uitbrak kwam het werkkamp leeg te staan. Er is wel geschreven dat het is gebruikt om arbeiders aan de A12 te huisvesten, maar dat was niet het geval. Deze waren ondergebracht op de tijdelijke bouwwerf van de aannemer, de firma Dirk Verstoep, nabij de  Buunderkamp.

Bovendien kwam het werk aan de A12 in 1942 stil te liggen, met name door gebrek aan grondstoffen. Wel zijn er nog wat  Joodse mannen ingezet , afkomstig uit de Randstad o.a. bij de aanleg van de Amsterdamseweg vanuit Arnhem naar de A12 (afslag Planken Wambuis). Maar dat duurde maar kort, omdat in oktober 1942 ook die joodse mannen via Westerbork zouden worden gedeporteerd.

Kamp voor Zeeuwse evacuées

De Duitse bezetter, nog heer en meester in Zeeland, vreesde voor een aanval op Antwerpen. Want die haven was dringend nodig voor bevoorrading van de geallieerde troepen, de aanvoerlijnen vanuit Frankrijk waren te lang geworden.Op 16 februari 1944 werd door de Duitsers medegedeeld dat het eiland Tholen onder water zou worden gezet, vanuit de gedachte dat waar water stond de geallieerden niet snel een aanval zouden wagen. En de bewoners werd gesommeerd binnen 14 dagen te vertrekken. Ook de inwoners van het plaatsje Stavenisse op Tholen moesten vertrekken. Maar waarheen?

Een aantal kon via de van Tholen afkomstige, in Barneveld staande, oud-gereformeerde  predikant ds. Fraanje onderdak vinden bij geloofsgenoten in Barneveld en omgeving. Een andere groep vond onderdak in een leegstaand werkkamp voor jeugdige werklozen nabij Oldebroek, En een groep van 18 gezinnen, totaal 109 personen, vond onderdak in 't Wijde Veld.

Maar hoe kwamen ze daar terecht. Wel, de Heidemij was één van de grootste uitvoerders van werkverschaffingsprojecten. En ook het Rijkswerkkamp 't Wijde Veld werd in dat kader door de  Heidemij gebruikt. De rayonopzichter  Houterman van de Heidemij was getrouwd met een vrouw die van Tholen kwam. Bij Steendijk, een grote boer op Tholen, werkten meerdere Stavenissenaren. En via de echtgenote van Houterman werden de werknemers van Steendijk, met hun gezinnen en familie, uitgenodigd naar 't Wijde Veld bij Ede te komen.

En zo vertrokken op maandag 6 maart 1944 de Zeeuwen met vrachtwagens naar Bergen op Zoom, en vandaar met een speciale trein naar Ede. Ook een aantal door paarden getrokken wagens (van Steenbeek) ging naar het station in Bergen op Zoom, op reis naar Gelderland. De treinreizigers werden  opgevangen in de Enka, en gingen daarna met ENKA-bussen naar 't Wijde Veld.
Daar werden zij door de Heidemij welkom geheten, en kon het dagelijkse leven, ver van huis, beginnen.

Het kamp bestond uit vier woonbarakken, met in totaal ca. 20 wooneenheden, bestaande  uit een kamer en een grote slaapkamer. De Zeeuwen die er verbleven, mannen en vrouwen, grote en kleine kinderen, ongetrouwde ooms en tantes (in twee gevallen met een gezin van negen personen), zorgden middels houten schotten voor enige privacy.

Vanaf de Wijdeveldseweg liep een toegangsweggetje naar de ingang, die voorzien was van een welkomspoort.  Daarachter bevond zich de barak van kampleider Appels, die er met zijn vrouw en twee dochtertjes woonde. Links stond de kantine (met een biljart).  Daarin werden de gasten verwelkomd. De kantine deed ook dienst als school, de kinderen kregen halve dagen les van meester Wijnmaalen uit Ede. Halve dagen naar school was destijds gebruikelijk. Ook werden in de kantine allerlei voor het dagelijks leven benodigde zaken verkocht. Een andere barak was het “dienstengebouw”, waar centraal werd gekookt. Aan het kamp was een kok verbonden,  Mors, die een zolderkamer bij Kramer op herberg Zuid-Ginkel huurde.

In het  “dienstgebouw” bevonden zich ook het waslokaal en de toiletten, en de machinekamer. Het kamp pompte zelf water op, en bezat een generator voor de electriciteitsvoorziening. Achter het dienstgebouw stonden de woonbarakken, links en rechts langs de kampweg. En achterin het kamp was een fietsenstalling, waar twee fietsenmakers werkten. Want de mannen werden ingezet op Heidemij-projecten die vaak behoorlijk ver weg lagen. Om daar te komen werden door het bedrijf fietsen beschikbaar gesteld. Die als gevolg van het intensieve gebruik op vaak slechte zandwegen en paden veel onderhoud vereisten.

Er zijn wel wat foto's van het kamp uit de tijd dat de Stavenissenaren daar woonden. Ab Moesker, die getrouwd is met een dochter van Van den Brandhof van boerderij Kreel, heeft een paar foto's van zijn schoonmoeder gekregen, die gemaakt zijn in die periode.  Die foto's heeft hij aan de historische Vereniging  Oud Ede gegeven, en  het was Hetty Blauw van die vereniging die mij vroeg of ik het verhaal erachter kende.

Op die foto's (hierboven een voorbeeld) staan alleen vrouwen en kinderen. Want de foto's zijn overdag gemaakt, en dan waren de mannen buiten het kamp aan het werk. De Heidemij kon de mannen uit Zeeland goed gebruiken, het waren immers landbouwers, die niet alleen gewend waren aan zwaar werk, maar die ook weinig hoefde te worden uitgelegd. En die “van huis uit” een hoge arbeidsmoraal bezaten. Dat is na een paar eeuwen van gereformeerdheid min of meer in de genen gaan zitten. Immers, de Bijbel leert “In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten”. 



Market Garden: de Zeeuwen in de frontlinie

De kleine Zeeuwse enclave aan de Wijdeveldseweg leidde een relatief goed leven. Zij vormde een eendrachtige en gezellige nederzetting onder een hen welgezinde leiding. Tekenend is de uitspraak van een voormalig bewoonster, dat zij “een vacantiegevoel kreeg”. Maar daar zou in september 1944 abrupt een einde aan komen. De naam “Kamp Stavenisse” is toen ontstaan.

Want toen ging de operatie Market Garden van start. Een poging om met luchlandingstroepen o.a. de brug over de  Waal bij Nijmegen, en die over de  Rijn bij Arnhem in handen te krijgen  Tegelijkertijd zouden dan grondtroepen vanuit het zuiden oprukken. Enfin, over die operatie, en met name het mislukken daarvan zijn boekenkasten vol geschreven.

Ook het werkkamp 't Wijde Veld zou, ongewild, een rol gaan spelen in het verhaal, Want op 17 september landden op de Renkumse Hei, ten zuiden van de toen in aanleg zijnde A12, o.a. eenheden
van de Kings Own Scottisch Borderers. Met als eerste opdracht om de noordelijk gelegen Ginkelse Hei te beveiligen. Want daarop zouden de volgende dag de Engelse parachutisten neerkomen.

De opwinding bij de bewoners van het kamp, op de 17e september 1944, was groot. Want op korte afstand zagen zij grote hoeveelheden vliegtuigen, vele daarvan met een sleepvliegtuig achter zich aan. Die zweefvliegtuigen werden allemaal losgekoppeld, en kwamen letterlijk “voor hun ogen” naar beneden. Maar ook werden veel parachutisten gedropt.Wel op enige afstand, op de Renkumse hei. Maar goed zichtbaar.

De KOSB-ers deden wat ze moesten doen, trokken op naar de Ginkelse Hei, en namen verdedigende posities in aan de rand. Zij wisten dat er een werkkamp stond, maar niet dat daar bewoners in zaten. Want dat had niemand aan de Engelsen verteld. Het16e peloton van de D-compagnie van de KOSB, onder leiding van de Canadese luitenant Mason, was dan ook stomverbaasd dat het kamp bewoond was. Bij de komst van de Engelsen waren de bewoners druk bezig loopgraven rond het kamp te graven.

De leider van het kamp, Appels, werd door de Engelsen meegenomen naar hun hoofdkwartier, bij de tunnel onder het Hazepad. Er viel geen Duitser te bekennen, en de bewoners konden in het kamp blijven. De Britten groeven zich in de bosrand in. En iedereen, behalve de wachtposten, ging slapen.

Op maandag, de 18e, kwamen in alle vroegte de Duitsers, vooral Hollandse SS. Vanaf de N224 benaderden zij de stellingen van de Engelsen in de bosrand, en hun schuttersputjes bij het kamp. Er ontstond een vuurgevecht, waarbij ook dwars door de barakken van het werkkamp werd geschoten. Met de bewoners er nog in. Dat moet Duits vuur geweest zijn, want de Engelsen wisten dat de bewoners er nog in zaten.

Het was een wonder dat er maar twee Zeeuwen getroffen werden. De een was Jacob Potappel, 21 jaar oud en nog maar kort getrouwd. Hij is in een veldgraf begraven en later herbegraven op de Edese Algemene begraafplaats. Op 2 december 1944 werd zijn zoon in Barneveld geboren. Tot de groep die door bemiddeling van ds. Fraanje in en rond Barneveld waren ondergebracht behoorde ook de ouderling van de Oud-Gereformeerde kerk van Stavenisse. Diens naam was ook Potappel.
En er zal ongetwijfeld een familieband geweest zijn tussen deze ouderling en Jacob.

Het andere slachtoffer was Jan de Vos. Hij werd door zijn been geschoten. Hij werd met een Duitse auto naar Ede gebracht, zijn broer Willem ging met hem mee. Op de Maanderweg in Ede werd de auto door een Engels vliegtuig beschoten. Willem heeft toen een bakfiets, die hij zag staan, gepakt en zijn broer daarmee naar het noodziekenhuis in de pastorie op de Bergstraat gebracht.

Tijdens een gevechtspauze zijn de bewoners van het werkkamp gevlucht, richting de  N224 en verder. O.a. naar Barneveld, waar immers veel dorpsgenoten waren ondergebracht. Ze zijn niet teruggekeerd naar het kamp, het gebied ten zuiden van de N224 was door de Duitsers  tot “Sperrgebiet” verklaard, daar mocht niemand meer komen.

Jan de Vos is later getrouwd, zijn echtgenote leeft nog. Ze heeft niet zelf in het werkkamp gewoond,
Na de oorlog is zij er met haar man nog wel terug geweest. Zij wist te vertellen dat een deel van het onderwijs op het kampschooltje werd verzorgd door de in het kamp wonende vrouwen.

Na de oorlog zijn de meeste Zeeuwen teruggekeerd naar Tholen. Maar niet allemaal. Sommigen hadden nieuwe wortels in het Veluwse zand gekregen, omdat ze een baan hadden gevonden, of een partner. Of beide, want dat ging veelal samen.

De grootmoeder van mijn echtgenote (van moeders kant) was Jacoba van der Mheen-van Schothorst. Een zuster van haar, Gerritje Folmer–van Schothorst woonde op de boerderij Oud-Schothorst. Die ligt in het Nederwoud onder Lunteren.. Daar woonden ook Zeeuwen uit de groep van ds. Fraanje,

Dat vertelde Coby Ras-van der Mheen, een zuster van mijn schoonmoeder. Zij herinnert zich een echtpaar, dat van Klinken zou heten. En een Zeeuwse jongeman, met de naam Martien, was knecht op Oud-Schothorst.

Een andere Zeeuw, Piet Wisse, vond ook in Lunteren zijn geluk, hij is getrouwd met een zuster van boer Folmer van de Schothorst, Tiemetje. Piet kwam uit Nieuw Sint Joostland, en nam zijn bruid mee terug. Want hij was directeur van de  Boerenbond op Tholen, en er lag na de oorlog en de inundatie veel werk op hem te wachten.

Vanuit Barneveld is jarenlang een busreis naar Stavenisse georganiseerd. Er was een sterke band ontstaan tussen de geloofsgenoten uit Zeeland en van de Veluwe. Die zal er ook in Ede zijn geweest, de bewoners van het kamp gingen elke week in Ede naar de kerk. En ook in Ede vinden we nog steeds namen die uit Zeeland afkomstig zijn. 't Zou een leuk onderzoekje kunnen zijn om
daar wat meer over te weten te komen.




















Verantwoording

Voor dit verhaal zijn gesprekken gevoerd met mevrouw Kramer-van Beek van Zuid Ginkel.
Veel informatie is ook gevonden  in de boekenserie “Blik Omhoog” van Cor Janse.
Voor de informatie over de werkverschaffing was het boek “Het werkende land” (Haarlem, 1936)
van veel belang

Daarnaast is informatie verkregen uit oude kranten via “Delpher”, en van meerdere mensen op
Tholen, waaronder mevrouw de Vos.

De foto's zijn afkomstig van Ab Moesker, en  uit de collectie van de  Heidemaatschappij,

Jan Kijlstra
15-04-2015 rev.1 19-05-2015