logo_Ede

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

De brand in het Gemeentehuis in 1942: toeval, of toch een daad van het Edese verzet?

Toen het Gemeentehuis, vroeg in de morgen van 19 februari 1942, in brand stond zei brandweercommandant van Egmond tegen de ernaast, in het pand van de Spaarbank voor Ede, wonende conciërge annex begrafenisondernemer Boeve dat hij de dakkapellen nat moest houden. Want de wind stond de kant van de Spaarbank op, dus het risico van overslaan van de brand was niet denkbeeldig. En de brandweer kon niet blussen, de pompen en putten in de buurt van de Spaarbank waren bevroren.

Eén van de foto's die bewaard zijn gebleven. Let op de jongens met de emmers, rechts.

Er was wel een put, bij de Spaarbank. En die was niet bevroren. Dus werd door Boeve geprobeerd met emmers water uit die put de dakkapellen nat te houden, maar dat lukte onvoldoende.
Vader Boeve belde toen met de Paasbergschool. En vroeg het hoofd, G. Jansen, om zijn zoon Wim naar huis te sturen, want het woonhuis moest ontruimd worden, uit voorzorg.
De meester stuurde prompt àlle jongens uit de klas van Wim. Die zijn in looppas naar de plek des onheils gegaan, en hebben het hele huis leeggehaald.

Wim Boeve, die mij dit verhaal vertelde, vindt het nog steeds opmerkelijk dat die put bij de Spaarbank niet door de brandweer is gebruikt om water uit te pompen!

En in Ede ging, en gaat, het verhaal dat de brand is aangestoken om de Burgerlijke Stand te vernietigen. Want dan werd het voor de Duitse bezetter veel moeilijker om allerlei maatregelen aan de bevolking op te leggen, w.o. dwangarbeid in Nederland of Duitsland.


(Foto: Het voormalige pand van de Spaarbank voor Ede, aan de Not. Fischerstraat.)

Volgens Wim Boeve bevond de put, waarvan in de tekst sprake is, zich op de plek waar op de foto de vuilcontainer staat.

Het bewijs is nooit geleverd. Maar Wim Boeve vertelde mij onlangs dat destijds de gemeentearchivaris Denijs op de zolder van het Gemeentehuis zat te werken. Want daar bevond zich het archief, en ook de Burgerlijke Stand. 's Winters stookte hij een potkachel, een zogenoemde “Salamander”. Dat zou tegenwoordig, in een archief, ondenkbaar zijn, maar was toen kennelijk heel normaal.
Echter, brandstof was schaars, en los daarvan: men was zuinig. Tegenwoordig brandt de centrale verwarming dag en nacht, maar in die tijd liet men de kachel 's avonds uitgaan, en stak hem 's morgens weer aan. Het was wel mogelijk een kolenhaard 's nacht op een laag pitje te laten branden, maar bij die Salamanders ging dat niet. Ze waren domweg te klein om genoeg steenkool bij te kunnen vullen om ze de hele nacht op door te laten branden.
Bovendien, we komen Denijs nogal eens tegen in de stukken. En daaruit komt een archetypische ambtenaar naar voren, een Pietje Precies. Zulke mensen laten zeker geen kachel in een archief onbeheerd branden.

Een ander aanknopingspunt kwam onlangs naar voren, in het boekje dat Hermine van Voorst-van Zoelen over haar oorlogsherinneringen heeft gemaakt (“Oorlog in een Gelders dorp”, in te zien in de studiezaal van het gemeentearchief). Op pagina 40 schrijft zij:

“Brand! Brand! Het hele Gemeentehuis staat in lichterlaaie!”. Willie en Mien (Hermine) hebben nog nooit zo'n grote brand gezien. Er is een harde wind. De brandmeester (ook bij de ondergrondse) is toevallig een dag weg! Als eindelijk de brandweer aanwezig is, kunnen ze niets meer doen. Alleen de panden ernaast nathouden en ze zo voor brand behoeden. De Duitsers willen weer mensen oppakken. De ondergrondse wil daarom het bevolkingsregister vernietigen. De enige manier is door brand! Wel jammer van het pand. Willie zegt: "Net goed voor die Moffen. De brandmeester is een echte oom van de familie.”

Die brandmeester was van Egdom. En hij heeft een apport opgemaakt van de brand. Daaruit blijkt dat hij weldegelijk bij de brand aanwezig was. Bovenddien is het verhaal van Wim Boeve het verhaal van een ooggetuige van de brand. . En hij vertelde dat brandmeester van Egdom tegen zijn vader had gezegd dat hij de dakkapellen van het gebouw van de Spaarbank nat moest houden. 

In het Gemeentearchief bevindt zich ook het politiearchief uit de oorlogsjaren. En daarin zit een “Bericht Polizei Ede”(stuknr. 126-H), waarin “de Polizeikommissar” aan de burgemeester meldt dat het Gemeentehuis is afgebrand. Hij schrijft dat een ambtenaar om ca. vijf over negen zijn kamer op de tweede verdieping inging, en dat hij merkte dat deze vol rook stond. Verder was hem niets opgevallen, dus had hij de ramen opengezet en was naar beneden gegaan”. Deze beambte was zonder twijfel de heer Denijs.

De commissaris vertelt verder dat de ambtenaar een poosje later vernam dat er brand was uitgebroken, en dat het pand al snel in lichterlaaie stond.

Denijs ziet z'n kamer vol rook staan, zet het raam open, en vertrekt. Niets opgevallen? Pas een poosje later gehoord dat er brand is?

De originele tekst gaat dan verder: “Die Edese Feuerwehr, welche bald zur Stelle war, konnte gegen das Feuer wenig mehr ausrichten”.
Opmerkelijk is dat het woordje “bald” (spoedig) in het originele document is doorgehaald. Erg snel was de brandweer er kennelijk niet bij geweest.

In het gemeentearchief, in de verzameling “Registratie 1940-1945” vinden we ook het verslag van de brandweercommandant van Egmond (stuknr. 8-1942). En daaruit komt een beeld naar voren dat de doorhaling van het woord “spoedig” goed illustreert.

Zo werd niet als eerste de brandmeester gebeld, maar de adjunct-brandmeester. Die belde vervolgens zijn chef, de brandmeester van Egmond. Deze probeert eerst de Luchtbeschermingsdienst te bellen, maar daar werd niet opgenomen.. Vervolgens ging van Egmond naar zijn buurman, die ook bij de brandweer was. Die was niet thuis, dus liep van Egmond terug naar huis, om tegen zijn vrouw te zeggen dat ze de buurman telefonisch moest informeren.

Van Egmond liep toen naar Garage Robben (schuin tegenover de Oude Kerk), want daar stond de motorbrandspuit. Hij heeft toen eerst nog op het bord geschreven dat er brand was in het Gemeentehuis, en reed toen met de monteur (die door de adjunct-brandmeester reeds was opgetrommeld) naar de markt, om de motorspuit op de daar aanwezige brandput te plaatsen. Ter plekke werd geconstateerd dat de put niet kon worden gebruikt, er lag een dikke laag ijs en sneeuw op.

Vervolgens droeg hij twee brandweerlieden op de brandkraan no. 47 te gebruiken. Deze bevond zich voor het Gemeentehuis. De brandkraan was ingepakt met stro, om bevriezing te voorkomen. Maar helaas, dat stro was geheel met ijs doortrokken, zodat het onmogelijk was de brandkraan te gebruiken. Maar gelukkig, brandkraan nr. 50, in de Boschpoortstraat (nu Grotestraat vanaf de Molenstraat) was wel beschikbaar. En om ongeveer tien over half tien kon er geblust worden.

Om tien over tien werd er ook water geleverd vanaf de put aan de Otterloscheweg, en de brandkraan voor het Gemeentehuis was ook weer losgemaakt. De brand werd bedwongen, zodat het achtergedeelte van het gemeentehuis en het aangrenzende oude politiebureau konden worden behouden

 Van Egmond legt in zijn verslag nog even bekwaam de schuld voor het niet beschikbaar zijn van putten en pompen bij Gemeentewerken. En maakt van de gelegenheid gebruik om te pleiten voor extra brandputten en meer slangen.

Het verslag van van Egmond roept bij een eerste, oppervlakkige lezing alleen het beeld op van een niet erg goed werkende brandweerorganisatie. Maar leg je er het rapport van de commissaris naast, die het woord “spoedig” bij nader inzien doorhaalt, en lees je de ontboezeming van Hermine (“de brandmeester is een echte oom van de familie”) dan komt de zaak in een ander daglicht te staan. En het ooggetuigeverslag van Wim Boeve vult dit aan. Zeker als we weten dat van Egmond een actieve rol in het Edese verzet speelde.

Van Egmond, die tegen vader Boeve zei dat hij de dakkapellen nat moest houden. Hij wist dus dat de put van de Spaarbank gebruikt kon worden. Maar de motorspuit liet hij van de ene put naar de andere rijden. Waarom dan geen water opgepompt uit die put van de Spaarbank?

 

Bron: Koninklijke Bibliotheek, Oude Kranten,

 

Ook dit verhaal levert geen onomstotelijk bewijs voor het gerucht dat de brand in het Gemeentehuis door het verzet is aangestoken. Maar, althans in mijn optiek, het lijkt er wel erg veel op, als ik alle gegevens combineer. Want er zijn wel erg veel mensen niet bereikbaar, en 't is wel toevallig dat de meest voor de hand liggend putten en pompen bevroren zijn, terwijl die welke verder weg lagen, en ook die bij de Spaarbank (naast het brandende pand) gewoon water leverden.

In elk geval wist Hermine van Zoelen het zeker. En de commissaris had kennelijk ook zo zijn vermoedens.

Overigens vertelde Herman van de Kaa, die destijds ook bij het (Lunterse) verzet betrokken was, dat Janny Laupman in die dagen op de Burgerlijke Stand van de gemeente Ede werkte. Dat moet ná de brand zijn geweest, want zij zat samen met Hermen van de Kaa en Wim Boeve op de MULO, en zij deden examen in 1942, zo vertelde Wim Boeve mij,

Zij was actief in het verzet, en staat vooral bekend als koerierster. Zij is op een gegeven moment opgepakt door de S.D., en op de Wormshoef in Lunteren zwaar mishandeld.

Weinig bekend is dat Janny Laupman niet alleen koerierster was, maar ook, samen met Jo van de Bent (ook werkzaam bij de Burgelijke Stand), grote risico's nam door het ontvreemden van blanco persoonsbewijzen bij de Burgerlijke Stand.

Als koerierster kon je bij de SD nog wel wegkomen met weliswaar flinke mishandeling, maar je bleef leven. Maar wie persoonsbewijzen ontvreemde liep hele grote risico's. Want die gestolen blanco konden gebruikt worden om iemand een andere identiteit te geven. Daarom was deze vorm van verzet letterlijk levensgevaarlijk. Dergelijke zaken leverden de doodstraf op.