Rijkswerkkamp 't Schut

Het Rijkswerkkamp 't Schut werd gebouwd om er werkeloze Joodse mannen te huisvesten. Zij moesten voor de Heidema werken aan de Ruilverkaveling Veenendaal. Het eerste bericht over de bouw van dit kamp verscheen in de Edesche Courant van 16 augustus 1946. De Edesche Courant mocht toen nog verschijnen, maar men hield wel rekening met wat de Duitsers wel of niet wilden lezen. Vandaar ook de wat blijoedige toonzetting van het stuk. WAt toen niet bekend was, niet bekend kon zijn, was dat deze werrrkkampen, specifiek opgezet voor werkloze joodse mannen, onderdeel waren van eeen macaber spel. Er waren 42 joodse werkkampen, en in de nacht van 2 op 3 october 1942 werden alle joodse werkkampen in één keer ontruimd, de mannen werden naar Westerbork vervoerd. Onder het mom van "gezinshereniging" werden tegelijk ook de in hun woonplaatsen achtegebleven vrouwen en kinderen ook naar Westerbork gebracht. Dit betrof in totaal zo'n 12.000 mensen, en daar was Westebork niet op berekend. Maar vrijwel allen moesten binnen de korste keren naar de vernietigingskampen in oost Europa vertrekken.

Het verhaal uit de krant staat hieronder.

,,'t Schut''.

Een nieuwe nederzetting duikt op aan, de Westzijde van Ede.

Aan een binnenweg tusschen Ede enGeldersch-Veenendaal, de Schuttersteeg, is een houten dorpje verrezen, dat blijkens het opschrift boven den ingang den naam draagt van "'t Schut" .

"'t Schut" herinnert aan "',t Wijde Veld", ten Oosten van Ede gelegen.

De omgeving is echter geheel anders.

"'t Wijde Veld", met zijn bruine barakken, ligt bijna onzichtbaar weggedoken in de bruine, nu paarse hei. " 't Schut" daarentegen steekt scherp af tegen de frlsch groene omgeving: als een donkere vlek tegen een groen kleed.

Het ligt gevat tusschen groene weilanden met een bonte koeienstoffeering en den mullen landweg de Schuttersteeg.

En het landelijk karakter zet zich voort tot diep 1n het kamp, aan den rand der barakken, want overal, waar men in het kamp ook rondziet, vindt men .... boontjes, en niets dan boontjes: duizenden pollen! Een eigenaardig gezicht, kenmerkend voor den huldigen tijd: een geheel kamp in de boonent

Nog heerscht hier tusschen de pas gereed gekomen keurig geverfde houten gebouwen een serene rust, in evereenstemmlns met de rustieke omgev:ing.

Een stilte, die echter spoedig verbroken zal worden, als - over weinige dagen - de circa tweehonderd arbeiders de poort van "'t schut" zullen binnenwandelen om hier hun tijdelijke home te vinden gedurende de periode, waarin zij in de omgeving worden tewerkgesteld.

Er zijn al weer menschen, die zich hebben gehaast op deze nieuwe Edesche nederzetting het odium van "partijdigheid" te leggen.

Het kamp ezu ultgaan, van een bepaalde richting.

Dat 1s echter een fabeltje.

Heet kamp 1s gesticht en wordt ge xploiteerd door een neutraal lichaam: de Rijksdienst voor de werkverruiming.

De wijze, waarop deze dienst voor de huisvesting der arbeiders zorgt kan, als men de omstandigheden in aanmerking neemt, zeker door niemand verbeterd worden en verdient dan ook lof.

"'t Schut" is naar onze meening een ideaal kamp: practisch, degelijk ingericht, waarblj ook aan ontspanning na het werk alle aandacht is besteed.

De woon- en slaapbarakken liggen gegroepeerd om het hoofdgebouw, waarin zich de gezelllge woonvertrekken en de burea.ux van den leider, den Heer A. Hendriks, bevinden.

In de barakken bezit elk achttal arbeiders gezamenlijk een slaap- en een zitkamer.

Zoover hebben de Hollandsche militairen het nimmer kunnen brengen, dat zij behalve over een slaap- ook nog over een zitkamer konden beschikken. De slaapzaal was voor hen tegelijk ook eet-, zit- en poetskamer!

Dat zich in eenlge loodsen voor de bewoners ruime waschgelegenheden bevinden is natuurlijk niets bijzonders, maar wel is een blijk van extra verzorging de aanwezigheid van douchekamertJes.

De watervrees, die den Hollanders nogal eens aangewreven wordt - voor hun toilet zouden zij een minimum aan water verbruiken - wordt hier zeker niet aangemoedigd. Hygi ne bovenal. Zoo behoort het trouwens ook in een kamp van werkers.

Aan de gelegenheid tot ontspannig is veel zorg besteed.

Een mooie, zeer ruime barak, waarin alle kampbewoners een plaatsje kunnen vdnden, is speciaal ingericht aJs cantlne, voorzien van buffet, lees- en schrijfgelegenheid en .... twee bilJards.

De zuidwand der cantille bestaat vrljwel geheel uit glas, waardoor men een pracht uitzicht geniet over groene landouwen in de richting van de Grebbe.

In deze zaal kunnen de mannen na hun dagelljkschen arbeid op hun verhaal komen, zich wijden aan hun liefhebberijen, het schriftelijk contact onderhouden met het door hen achter gelaten gezin.

In deze zaal ook, zoo wagen wij te veronderstellen, zullen tal van vereenigingen uit Ede en andere plaatsen zich te zijner tijd laten horen, als zij de hier in den winter wel wat eenzame kampbevolking een ontspanningsavond aanbieden.

Dat Edesche muziek-, zang-, dam- en andere ontspanntngsvereenigingen daarvoor haar goede diensten aan de kampbewoners zullen verleenen daaraan twijfelen we geen oogenblik.

In dat opzicht hebben deze vereenigingen een te goede staat van dienst.

De ruime keuken met haar groote ketels, die het kamp rijk is, voorspelt den arbeiders veel goeds, juist in de tegenwoordige omstandigheden.

Een deskundige als de kampleider, oud-hofmeester der marine, op dit terrein toch is, zal ook met beperkte middelen smakelijk voedsel weten te bereiden.

Uit onze opsomming b!ijkt wel, dat het den arbeiders vrljwel aan niets zal ontbreken.

Die eisch mocht ook door hen worden gesteld. Zlj bevinden zich hier immers meer of minder ver van hun gezin en moeten dus in "'t Schut" hun tweede tehuis bezitten. Of dat het geval zal zijn, zal voor een ,groot deel ook afhangen van de leiding, te geven door den Heer Hendriks. Van hem, als oud-hofmeester der marine met meer dan twintig dienstjaren, mag echter met rechtt worden verwacht, dat hlj met zulk een heterogeen gezelschap, als hier wordt gehuisvest, met tact zal weten om te springen.

Het verschil met de marine zit alleen hienin, dat de zaak daar schommelde en hier "moet loopen".

De arbeiders komen hier allerminst om te logeeren, wel om hard te werken. Dat blijkt wel uit hun dagelijkschen werktijd: van 7-9.15 u.; 9.30 u.-12.30 u.; 1 u. - 3.30 u;
3.45-6 u. zaterdags tot 12.30 u.

Tegenover deze lange werkdagen staat dat de menschen elke derde week naar huis mogen: van Vrijdagsavonds tot 's Maandagsmorgens, een bi!lijke verlofregeling.

Van elke drie Zondagen bevinden de arbeiders zich toch twee in het kamp.

Deze omstandigheid zal zeker voor de plaatselijke geestelijke verzorgers een reden zijn, hun zorgen ook over hun discipelen, die zich straks in dit kamp bevinden, uit te strekken.

Het spreekt vanzelf, dat onder de kampbewoners tucht moet heerschen; anders zou het spoedig in een Janboel ontaarden.

Zij hebben dan ook, als militairen in hun kampementen, aan diverse bepalingen - maar 26! - te voldoen. Zij moeten de kamerwacht uitoefenen, zorgen voor het opmaken van bedden, het schoonhouden der kamers enz. en zijn, als de "dienst" het toelaat, 's avonds tot half elf vrij.

Maar dit alles is slechts bijzaak, geldt den dageliJkschen dienst in het kamp.

Het voornaamste is en blijft het werk, de dageljksche arbeid. Daarvoor moeten zij zich tot het uiterste inspannen als flinke, gezonde, wilskrachtige Hollandsche mannen, van wie dan straks, met een variant op een bekend lied, gezongen kan worden:

Daar komen de "Schutters - daar komen ze an, De mannetjesputters van d' Meika dam.

Wat hebben ze een houding, wat hebben ze een kraoht. Dat komt van den Ijver, die wordt betracht.