logo_Ede

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

In vroeger jaren betekende wethouder zijn het min of meer hebben van een erebaantje. Rijk kon men er niet van worden. Het was een aardige bezigheid voor iemand met geld en veel vrije tijd, waarbij een beetje mensenkennis mooi was meegenomen. Als bleek dat de juiste man op de juiste plaats was gekozen, kon hij soms tientallen jaren achtereen deze functie bekleden.

De wethouders verkiezingen van 1919 en 1939 tonen aan dat de gemeente Ede in deze twintig jaar slechts tien verschillende wethouders heeft gekend. In september 1919 telde de raad zeventien leden en de twee wethouders G.J. IJssel de Schepper en E. Jochemsen, die beiden overigens reeds jarenlang lid van het college waren. Vier jaar later werd dit tweetal opnieuw gekozen, maar aangezien de raad tot negentien leden was uitgebreid, mocht er een derde wethouder worden benoemd. De eer hiervoor viel te beurt aan de heer W. S. van Voorthuizen.

In 1927 ontstonden er moeilijkheden: van de twee nestors werd IJssel de Schepper traditiegetrouw herkozen, maar de heer Jochemsen had zich, gezien zijn leeftijd, teruggetrokken. Blijkbaar had Van Voorthuizen het minder goed gedaan, want de raad gaf nu de voorkeur aan de heer Van Silfhout. Als derde man kwam tot veler verrassing Bruin Oostwaard, in die jaren een bekend rijwielhandelaar uit de bus.

Deze populaire man kwam al een aantal jaren met een eigen lijst uit, en niet gebonden aan een politieke partij stak hij zijn mening als raadslid niet onder stoelen of banken. De fietsenmaker bedankte echter, wegens drukke werkzaamheden voor de grote eer.

Eigenlijk had nu de heer Bouwman uit Otterlo en nummer twee van de lijst in aanmerking moeten komen voor het wethouderschap, maar een deel van de raad vond deze verhouding, een liberaal, een man van de Christelijk Historische Unie en een onafhankelijke geen juiste afspiegeling en stelde de heer Van de Voort uit Lunteren mede kandidaat.

Het werd een tijdrovende zaak. Tot drie keer toe kregen beiden hetzelfde aantal stemmen. De vierde keer kwam het uiteindelijk wel tot een beslissing en de heer Van de Voort werd de gelukkige.

Nog ingewikkelder werd het vier jaar later, dus in 1931. De Staatkundig Gereformeerde Partij had kans gezien drie zetels in de raad te bezetten en claimde nu, overigens niet ten onrechte, een wethouderschap. Zowel de Christelijk Historische Unie als de Anti Revolutionaire Partij wilden hun man niet missen, maar bezaten ook respect voor de liberaal IJssel de Schepper, die reeds tientallen jaren de gemeente op voorbeeldige wijze had gediend.

Weliswaar had deze man juist dat jaar een punt achter zijn carrière gezet, maar men wilde zijn opvolger, de heer H.W.P. Bonte, ook niet voor het hoofd stoten. Toen kwam men op het heldere idee het aantal wethouders uit te breiden tot vier.

Dat was eigenlijk in die jaren voor Ede teveel van het goede, maar alle partijen waren nu tevreden en tot wethouders werden benoemd: W. van de Bosch (SGP), P. van de Voort (ARP), W.S. van Voorthuizen (CHU) en H.W.P.Bonte (Liberaal).

In 1935 waren er slechts twee wijzigingen: Van de Bosch werd vervangen door G. van de Bospoort en Van de Voort door Jac. Van Steenbergen.

Bij de volgende verkiezingen behielden de drie rechtse wethouders hun zetel maar moest een opvolger gevonden worden voor de heer Bonte. Opnieuw was er een nek aan nek race tussen de heren J.C.J. Mens uit Ede en W. Wilbrink uit Lunteren. Ook na drie stemmingen had geen van beide een meerderheid kunnen verkrijgen waarna het lot de heer Mens tot wethouder benoemde.

H.J. Nijenhuis, Edese Courant 02/08/1986