logo_Ede

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Jeugdherinneringen aan de heide

Bij het naderen van de Heideweek waarbij het accent weer op de heide behoort te liggen denken we onwillekeurig terug aan de rol die de heide in onze jeugd speelde. In het begin van deze eeuw bevonden zich in onze omgeving meerdere uitgestrekte heidevelden. Sommige daarvan, zoals Doesburger en Renkumse heide zijn verdwenen en ontgonnen tot bouwland, maar de Eder Hei, helaas voor het overgrote deel thans begroeid met taai gras heeft,dank zij het feit dat zij dienst doet als militair oefenterrein, nog altijd dezelfde oppervlakte.

Heidevelden waren in heel vroeger jaren voor de boeren van enorm belang, elke boerderij van een beetje betekenis beschikte over een schaapskooi en een kudde schapen. Deze werden, onder geleide van een scheper, meestal een jongen of oude man, die niet meer tot zwaarder werk in staat bleek, dagelijks naar de heide gebracht om daar hun kost op te scharrelen. De huidige Schaapsweg herinnert nog altijd aan het feit dat de boeren van Veldhuizen over deze weg hun wollig bezit naar de Doesburger heide brachten. Niet alleen bezorgden de schapen door de jaarlijkse wol opbrengst die boer een inkomen, maar ook de wolhandelaars en wat later, spinners en wevers, verdienden er hun boterham aan. Veenendaal dankte daar vroeger voor een deel haar handel en wolfabrieken aan. De heide was bovendien belangrijk voor de bijenhouders, ook een onderdeel van de boerderij.
Zomers werden de korven bij de bouwlanden opgesteld, vooral boekweitvelden vormden een vruchtbaar gebied, om begin augustus naar de rand van de heide, in genoemde maand volop in bloei te worden over gebracht. Verder werden op de heide plaggen gestoken die dienst deden in de stallen en werd er, naar behoefte, grint gehaald. Voor het doorgroeien van de heide mochten deze plaggen slechts heel dun zijn en was voor dit werk een zekere vakmanschap vereist.

Geërfden

De Eder Hei behoorde van oudsher aan de buurt Ede-Veldhuizen en was dus gemeenschappelijk bezit van alle geërfden. Op de buurspraak van 1902, toen al vast stond dat Ede garnizoenplaats zou worden,werd besloten de heide ten zuiden van de straatweg Ede-Arnhem aan het Rijk, dat naast kazernes ook oefenterreinen nodig had, te verkopen en de heide ten noorden van genoemde straatweg in erfpacht te geven.
Daarbij werden enkele rechten voor de inwoners van Ede vastgelegd: de heide bleef voor iedereen vrij toegankelijk en de geërfden behielden de vrijheld van plaggen steken en grint halen.
Later werd de erfpacht door het Rijk afgekocht, waarbij laatstgenoemde rechten vervielen maar vrije wandeling bleef gehandhaafd. Daardoor ontbraken de bordjes "verboden toegang nr. 461”, waarvan vroeger vooral de stropers profiteerden.
In die tijd bevonden zich op de heide nog vrij veel hazen, terwijl de konijnen zich meer aan de rand van de aangrenzende bossen, tegenover ,de 'Kreelse plas'. ophielden. Thans zou het de moeite niet meer lonen in deze omgeving met strikken op pad te gaan.

Vluchtoord

Mijn prilste herinneringen aan de heide dateren van vijf- a zesjarige leeftijd,als ik met mijn ouders op zondagmiddag de lange wandeling naar het Belgische vluchtoord maakte. Veel mensen deden dat in de zomermaanden als een soort attractie. Die "Belsen " bezaten een geheel ander leefpatroon dan men hier gewend was. Nog zie ik de vrouwen in groepjes de Paasberg af komen om inkopen in het dorp te doen om daarna in "de Roskam" een glas bier te vatten, tot grote verbazing en verontwaardiging van de Edese dorpsgemeenschap.
Wat ouder geworden, als schooljongens, werd de heide op vrije dagen een openbaar speelterrein. Als men vanaf de Kreelseweg, de Traa en dus ook de heide had bereikt, lagen eveneens links van het fietspad. allereerst de loopgraven. In navolging van de bittere stellingoorlog in Noord Frankrijk waren deze door militairen tijdens de mobilisatiejaren 1914-1918 aangelegd.
De opzet was tweeledig, de soldaten bezig te houden en om bij oefeningen de werkelijkheid zo goed mogelijk te benaderen. Ruim twee meter diepe gangen met talrijke kruisingen kwamen uit bij de ondergrondse verblijfplaatsen. Om het geheel compleet te maken was de oostelijke zijde van dit loopgravengebied voorzien van uitgebreide prikkeldraad versperringen,waar menige jongensbroek een winkelhaak heeft opgelopen.

Boddeken

Al met al een ideaal oord voor een stel jongens om verstoppertje of rovertje te spelen.
De steile, met hei en gras begroeide wanden van deze loopgraven leenden zich bovendien prachtig tot vuurtje stoken, "boddeken" noemden wij dat opwindende spel. De vlammen kropen knetterend omhoor en dan was het de kunst die zover te laten komen dat je, gewapend met takken het vuur nog juist op tijd kon bedwingen. In de twintiger jaren raakten de loopgraven in verval: militaire autoriteiten keken er niet meer naar om, maar wel ondernemende mensen uit de omgeving van de "Bunschoten". Met de kruiwagen trokken zij naar de hei om zich het zware stuthout van de onderkomens, die geleidelijk in elkaar zakten,en prima brandhout opleverde, te ontfermen. Voor hen die dit stukje hei nog weten te vinden, vormen slechts wat vage greppels sporen van de plek waar eens de Edese jeugd hartstochtelijk speelde.

Kogelvangers

Een ander stuk hei waar wij als jongens graag zwierven, maar wel wat verder lopen,waren de kogelvangers. Als men de hei opkwam werden in de verte vijf grote zandheuvels zichtbaar, opgeworpen in de vorm van pyramides, met op de achtergrond de Mosseltselaan. Hier werd de recruten het geweerschieten bijgebracht; bij mooi weer een leuke bezigheid want de man die niet aan de beurt was lag languit in de hei De meeste inspanning bracht de heen- en terug tocht: vanaf de infanteriekazerne's bij het station naar de kogelvangers werd rustig gelopen. Al naar gelang de sterkte van de troep, door één of meer trommelslagers voorafgegaan, marcheerden zij over stoffige zandwegen. Van de Klinkerweg die er thans ligt, was nog geen sprake naar dit oefenterrein.
Voor elke kogelvanger bevond zich een lang maar smal onderkomen, ongeveer vijf meter diep.
Daarin bevond zich een verticaal draaien paal waaraan de schijven bevestigd, bediend door een paar militairen vanuit deze veilige schuilplaats. De kogelvangers deden dienst om de projectielen, ook al werd de schijf royaal gemist, in het zand te laten smoren.

Kanonnen

Voor om werd het pas interessant als ook de kanonnen, van de veldartillerie daar kwamen oefenen. Vanaf de kogelvangers wapperden dan rode vlaggen,ten teken dat er met scherp werd geschoten, waardoor de heide gevaarlijk en verboden was. De stukken stonden tussen Kreelseweg en Arnhemsestraatweg opgesteld en schoten met kartetsen.
Deze kwamen voor de kogelvangers tot ontploffing en spreidden dan een regen van loden kogels. Wij noemen die dingen"loden knikkers" en trokken er de volgende dag op uit om ze te zoeken; op school gold een loden knikker voor twee tal gewone exemplaren. De jongens uit de omgeving van Kreel en Hindekamp waren ons echter meestal te glad al en veel zakelijker. Zij wisten precies wanneer de oefeningen beëindigd waren, trokken met een zak de hei op, verzamelden de buit en verkochten die als oud lood.
Overigens heb ik voor die kinderen altijd diep respect gehad, het merendeel ging naar de Paasbergschool en moest bij weer en wind. over de vlakke hei en door het Edese bos tweemaal per dag deze afstand lopen. Maar, zoals een van de schoolgangers, de thans vier en zeventig jarige W. van Roekel, mij onlangs vertelde, het heeft hem nooit geen kwaad gedaan of complexen opgeleverd. Na zwerftochten rond de kogelvangers gingen wij ornze dorst lessen bij de schijvenloods, waar een grote pomp stond. Daar werkte ver van de bewoonde wereld,in alle eenzaamheid Gerritsen, belast met het onderhoud van diverse soorten schietschjjven en met wie we dan een babbeltje maakten. Ook de kogelvangers zijn verdwenen, deze omgeving is thans bezaaid met vliegdennen waardoor men hier moeilijk meer van heide kan spreken.

Ginkelse Hei

De heide ten zuiden van de Arnhemse straatweg, had voor ons eveneens zijn bekoring.
Deze werd gekenmerkt door de Sijsseltselaan die naar de bossen voerde en waaraan een voetbalveld lag, als je tenminste een stuk zwarte zandgrond, bezaaid met stenen van allerlei formaat, zo mag noemen net was aangelegd ten behoeve van de veldsoldaten, die daar op Woensdagmiddag' onder leiding van een wachtmeester kwamen voetballen. De animo bij de recruten. die veelal van het platteland kwamen bleek niet bijster groot. Dus mochten wij vaak een balletje meetrappen een harde leerschool want niet alleen de vele keien maar ook de harde kistjes van de onbesuisde militairen veroorzaakten talrijke blauwe plekken. Nog gevaar1ijker was het baantje van doelman; de bovenbalk lag namelijk los op de staanders en viel, als er een ba1 tegen kwam met een dreun op de grond.
Geen wonder dat de keeper altijd een paar meter voor zijn doel stond,hij riskeerde liever een doelpunt dan een hersenschudding.
Heel wat Edese jongens hebben hier de eerste beginselen van het voetbalspel geleerd, veilig ver van huis in de wetenschap dat hun ouders, waarvan het overgrote deel niets van sport wilde weten, geen notie had van wat zij uitvoerden. Op dit terrein werden tevens demonstraties en wedstrijden van de "EOOJV". Edese onderofficieren jachtver. gehouden. Geen vooroorlogse Koninginnedag of ander feest was compleet zonder hun optreden. Springconcoursen,dressuurproeven en niet te vergeten het nummer ,.Hongaarse post", vier paarden staande door één ruiter bereden, trokken altijd drommen toeschouwers Het is allemaal verleden tijd; al jarenlang is dit gebied een groot kazernecomplex.

Apostelen

Bleef men de Syssteltselaan en later linksaf de bosrand langs de heide volgen, dan werd een hoge heuvel bereikt begroeid met zware dennenbomen, in de volksmond "de twaalf apostelen. Vanaf dit punt ontplooide zich een prachtige panorama over de gehele heide, bij helder weer tot aan de eerder genoemde kogelvangers. De rulle zandwegen voor de heuvel vormden het oefenterrein van de veldartillerie. Het bleef een uniek gezicht de stukken geschut bespannen met acht paarden, compleet met rijders en bedieningsmanschappen, in volle galop heuvel op en af te zien rijden. Helaas, de bezetters hebben tijdens de oorlogsjaren de twaalf apostelen geveld, zodat deze naam alleen oudere Edenaren nog iets zeggen zal.

Afbranden

Tegenwoordig spreekt men alom over de verloedering van onze heide, inderdaad een feit maar het dateert niet van vandaag of gisteren. Reeds direct na de tweede wereldoorlog was men diezelfde mening toegedaan en werd er een commissie in het leven geroepen die zou trachten de heide weer tot betere groei te brengen. Deze bestond uit de heren: J. A. Eygenraam; Jac. Gazenbeek; J. W. v. Gestel; J. Versteeg en Joh. Weyland, misschien niet allemaal deskundig maar stuk voor stuk wel natuurkenners. Zij besloten de heide althans het deel tussen Arnhemse straatweg en Kreelseweg, af te branden. Een heel karwei dat de nodige veiligheidsmaatregelen vereiste in verband met verkeer op de Rijksweg. Bovendien moest de wind uit het zuiden waaien zodat de brandstichting Kreelseweg zou gaan en op deze zandweg zou stuiten.
Woensdag 20 april 1949 waren alle omstandigheden gunstig en besloot men, onderleiding van de bosdeskundige, ir. H. v. Medenbach de Rooy, de brand er in te steken. Er was veel belangstelling, Vooral van de schooljeugd, het gebeuren viel in de Paasvakantie, die wilde genieten van iets dat normaal streng verboden was, vuurtje stoken op de heide. De volledige Edese brandweer, onder leiding van de heer v. Egmond was paraat, toen klokslag tien uur de vlam in de kurkdroge hei sloeg.
Men begon met aan alle zijde een strook van ongeveer vijf en twintig meter breed af te branden, om toe voorkomen dat later het vuur naar aangrenzenden terreinen zou overslaan. Nu bleef 'een enorme rechthoek, ongeveer 180 H.A. groot, over die s'middags om één uur aan de vlammen werd prijs gegeven.

Verduistering

Dat was het grote moment, er ontstond een geweldige vuurzee als flambouwen stonden de verspreide vliegdennen te branden.
Verscheidene knallen gaven te kennen dat er nog altijd munitie uit de oorlogsjaren lag. Het talrijke publiek dat zich op de straatweg, had verzameld waar de politie de handen vol aan had om bet verkeer te regelen, genoot met volle teugen. Vrij plotseling evenwel draaide de wind naar noord-west ,het geen door de wijze maatregel van voorbranden. geen gevaar opleverde, maar minder aangenaam bleek voor de toeschouwers. De enorme rookontwikkeling zorgde er voor dat zij bij tijd en wijle geheel verduisterd waren en velen het dan ook voor gezien. hielden Tegen vijf uur in de middag minderde de vlammen en een uur later was het terrein tussen Tra en Zuid- Ginkel een zwart geblakerde vlakte.
Jammer, maar ook deze radicale maatregel heeft geen succes opgeleverd,integendeel, sindsdien is de Edese heide steeds verder achteruit gegaan. Maar wie tijdens de komende Heideweek de moeite neemt af te dwalen naar de bosranden of spoorhellingen zal tijdens het in bescheiden mate, ongetwijfeld nog bloeiende hei vinden.

H.J. Nijenhuis - Edese Courant, 25 augustus 1982