logo_Ede

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

VLUCHTKAMP

Wie thans vanaf de rijksstraatweg Ede-Arnhem, even voor hotel "De Ginkel", linksaf slaat en over de heide dwaalt, kan zich onmogelijk voorstellen dat hier eens een complete stad heeft gestaan, zij het dan grotendeels uit hout opgetrokken. Op dit golvende terrein, waar de heide weer groeit als nooit tevoren en nu de Edese schaapskudde haar kost opscharrelt, woonden eens, ruim vier jaar lang, duizenden mensen. Ver van huis en hun vertrouwde omgeving leefden en werkten zij hier op deze kale vlakte met al het lief en leed dat het leven nu eenmaal in petto heeft. Oudere Edenaren zullen het zich nog herinneren, jongeren hebben er over horen vertellen: hier stond in de mobilisatiejaren een kamp voor Belgische vluchtelingen. De officiële naam luidde "vluchtoord", maar men sprak altijd over het vluchtkamp.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 trokken de Duitsers onverhoeds België binnen, om zodoende, naar zij meenden althans, gemakkelijker tegen Frankrijk te kunnen optrekken. De Belgen waren overrompeld, velen verlieten in een overhaaste vlucht, met medeneming van het hoogst nodige, hun land om naar het veilige Nederland uit te wijken. De eerste maanden werden zij voor het grootste deel door de zuidelijke provincies opgevangen, maar naarmate hun aantal steeg en de oorlog voortduurde, werden zij over het gehele land verspreid. Men bracht hen onder in daarvoor geschikte gebouwen, maar tevens werden met grote spoed in enkele plaatsen speciale woonoorden voor de vluchtelingen uit de grond gestampt. Ook in Ede werd een dergelijk kamp gebouwd, zij het op behoorlijke afstand van de bewoonde wereld. Men koos als plaats van vestiging de Ginkelse heide, een dik uur lopen naar de kom van het dorp. Het kamp werd gebouwd door een combinatie van aannemers, onder anderen de firma Ettikhoven en Brands uit Ede en Mekking te Bennekom. Half december 1914 ging de eerste spade in de grond. Het weer werkte niet mee; direct na de start begon het te vriezen; een strenge winter was in aantocht. Maar men werkte, soms met meer dan tien graden vorst, onverstoorbaar door.

Vorstverlet was trouwens nog onbekend. Het schilderwerk was in handen van de firma's Plooy en De Nooy, beide uit Ede. Vooral die schilders hebben veel kou geleden, daar de aard van hun werk zich niet leent om warm te worden. Onder een straffe noordoostelijke wind moesten meer dan 11.000 ruiten worden gezet, waarbij de vingers bijkans bevroren. Ondanks deze barre weersomstandigheden konden reeds begin februari 1915 de eerste vluchtelingen onder dak worden gebracht. Naarmate de bouw vorderde nam het aantal bewoners toe: in mei 1915, toen het kamp nagenoeg voltooid was, was hun aantal al tot 4150 gestegen. De meeste vluchtelingen kwamen per trein op het station Ede aan en werden vandaar met vigilantes van stalhouderij Van Laar naar hun bestemming gebracht. Soms echter verlieten zij al in Arnhem de trein en moesten dan met hun schamele bezittingen op de nek naar de Ginkelse heide lopen. Het kamp was opgezet in een grote rechthoek, die door twee brede straten werd doorsneden. Deze straten, respectievelijk de Wilhelminalaan en de Cort v.d. Lindenlaan, door de Belgen al gauw omgedoopt tot boulevards, waren zeshonderd en vijfhonderd meter lang. Hierdoor werd het terrein in vier grote stukken verdeeld; op elk daarvan verrees een compleet dorp. Drie daarvan werden naar Belgische rivieren genoemd: Scheldedorp, Maasdorp en Leiedorp. Het vierde droeg geen officiële naam; daar stonden uitsluitend gebouwen voor de administratie.

Elk dorp bevatte tien grote barakken, die als slaapzaal en als woongelegenheid dienst deden. Elke barak had ook hier een eigen naam naar bekende Belgische persoonlijkheden, zoals de Rubenszaal, Benoitzaal, enzovoort. Zij waren onderverdeeld in afdelingen voor vijf personen. Families en gezinnen woonden bij elkaar, alleenstaande personen werden met vijven in een respectievelijke vrouwen- of mannenkamer ondergebracht. Per acht van deze afdelingen, dus op de veertig personen, werd een zaalchef gekozen, die zorg droeg voor het schoonhouden en daarvoor bij toerbeurt de mensen aanwees. Bij ieder dorp stond een grote gemeenschappelijke eetzaal, die tevens voor recreatie dienstdeed, en een keukengebouw. Tussen de gebouwen was voldoende speelruimte voor de kinderen gebleven en zij die daar idee in hadden, konden een tuintje aanleggen. Daarvan maakten heel wat bewoners gebruik: eigen groente telen en op zijn tijd een bloemetje plukken om in een vaas te zetten, verhoogde het gevoel van huiselijkheid. Onmogelijk om je nu voor te stellen dat die schrale heigrond eens doperwtjes, bonen of bloemen voortbracht.

Het gehele kamp was hermetisch afgesloten door een hoge afrastering, echter ver genoeg van de dorpen verwijderd om er nog verschillende werkplaatsen te kunnen plaatsen. Men bracht de tijd niet in ledigheid door, allerminst, ieder die gezond was moest werken om zo zijn steentje voor de instandhouding van het kamp bij te dragen. Daar was allereerst een grote timmerwerkplaats, compleet met houtbewerkingsmachines, waar Edese aannemers jaloers op waren. Daar werden, behalve het nodige onderhoudswerk, zelfs kant-en-klare houten huizen gemaakt, geheel uitneembaar, om ze later naar het vaderland te kunnen vervoeren. De oorlog veroorzaakte grote verwoestingen. Het zou na afloop daarvan jaren duren voor de huisvestingsproblemen waren opgelost, dus werd reeds hier op de Ginkelse heide daaraan gewerkt. Ook de nodige meubels, tafels, stoelen en kasten werden gefabriceerd en in de schilderswerkplaats verder behandeld. Dan waren er nog een smederij, schoen- en kleermakerij, alsmede een atelier voor naaisters. Een grote wasserij zorgde ervoor dat iedereen op zijn tijd schoon ondergoed kon aantrekken. In de barakken werd geen kou geleden. Heel modern zorgde een elektrische centrale voor verwarming, licht en krachtstroom, zaken waar de Edese bevolking met haar gaskousje en potkachel nog lang niet aan toe was. Centraal stonden de rooms-katholieke kerk, belangrijk voor de over het algemeen gelovige zuiderburen, en een groot concertgebouw met een behoorlijk toneel. Zoals gezegd had ieder dorp zijn recreatiezaal, maar hier was het trefpunt voor alle kampbewoners.

De Belgen verstonden veel beter dan wij Hollanders de kunst om geloof en vermaak te laten samenvallen. Ondanks de vaak beroerde omstandigheden van de vluchtelingen werd er voor de nodige ontspanning gezorgd. In korte tijd kwamen verenigingen op allerlei gebied van de grond. Een fanfarekorps dat zelfs de "Ede-mars" op haar repertoire had staan en een groot gemengd koor gaven wekelijks concerten. Velen waren lid van de "Turnkring" waar ijverig met stokken en knotsen werd gezwaaid; ook zij kwamen regelmatig voor het voetlicht. De toneelvereniging ,,I.M.O." (In Mobilisatietijd Opgericht) telde vele goede krachten en haar uitvoeringen, vrijwel alle blijspelen, waren altijd een daverend succes. Zo werd op 26 april 1915, de verjaardag van de regeringscommissaris, de klucht "Jochem Pezel, wat ben je toch een ezel" opgevoerd, die daverende lachsalvo's veroorzaakte. Nog drie avonden achtereen werd dit stuk, telkens voor een stampvolle zaal, herhaald.

De trots van het kamp vormde het voetbalelftal. Door ontmoetingen met clubs uit de omgeving, zorgden zij voor een wedstrijdelement. De uitrusting was aanvankelijk pover: voetbalschoenen en tenue ontbraken, maar dat deed geenszins afbreuk aan het enthousiasme. De spelers trokken hun jasje uit, rolden de broekspijpen op en waren klaar voor de slag. Elke wedstrijd stond de eer van België op het spel. Vurig, als ware Rode Duivels, werd voor de overwinning gevochten. Alle kansen om een wedstrijd te organiseren in het kamp of daarbuiten werden met beide handen aangegrepen. Op de zondagen 16 en 30 mei 1915 werd deelgenomen aan seriewedstrijden, uitgeschreven door de voetbalvereniging "Juliana" in Ede. Tot uitbundige vreugde van alle Belgen wisten zij de derde prijs in de wacht te slepen. Hierdoor aangemoedigd trok men wat later naar een dergelijk toernooi in Wageningen. Ruim
tweehonderd supporters vergezelden het elftal. Eerst lopend naar station Ede, dan met de tram naar Wageningen en later op de dag weer terug in omgekeerde volgorde; een uitstapje dat de hele zondag in beslag nam. Het terrein van de Belgen lag buiten de afrastering. Daarbinnen was voetballen streng verboden. Later, toen de geldmiddelen wat ruimer werden, kon de uitrusting van het elftal ook op peil worden gebracht. Tot aan het einde van de oorlog zijn de Belgen in onze omgeving gewaardeerde tegenstanders gebleven.

Het culturele leven werd evenmin vergeten. Een goed gevulde bibliotheek, waarvan het merendeel der boeken door Edenaren was geschonken, stilde de leeshonger. Tevens kon men in deze leeszaal dammen, schaken of een kaartje leggen. Voor oudere mensen was een aparte zaal ingericht, waar zij ongestoord onder elkaar een babbeltje konden maken, waarbij natuurlijk veel herinneringen van thuis werden opgehaald. Om het onderlinge contact te verstevigen werd een eigen blad, ,,Ons Leven", uitgegeven waarvan het eerste nummer op 26 april 1915 uitkwam. Het onderwijs voor de jeugd werd krachtig aangepakt; niet minder dan zes scholen werden in het vluchtoord gebouwd met eigen, voor het merendeel gediplomeerde leerkrachten. Er werd het normale onderwijs als thuis gegeven, ook tweetalig, want vanzelfsprekend bevonden zich Vlamingen en Walen in het kamp, zij het dat zij gescheiden van elkaar woonden. Blijkbaar was men bang dat zelfs hier de oude taalstrijd zou oplaaien, maar zoals dat veelal gaat, in moeilijke omstandigheden vervagen onderlinge geschillen, zij voelden zich nu alleen Belgen. Die zes scholen waren hard nodig. De leerplicht gold voor alle kinderen van twee tot zestien jaar, waardoor het gemiddelde aantal leerlingen om de vijftienhonderd schommelde. Tot zes jaar gingen de kleintjes naar een soort kleuterschool; daarna volgde het normale onderwijs. Een speciale afdeling werd gevormd door een soort "tuchtklas", waar jongelui terecht kwamen die kattekwaad hadden uitgehaald. Ruiten ingooien, voetballen in het kamp, vernielingen in de bossen; dit alles werd gestraft met een of meer weken huisarrest. De kinderen volgden in deze klas wel het onderwijs, maar moesten ook na schooltijd in de barakken blijven.

De kampregels waren streng, maar met zoveel vogels van diverse pluimage moest dat ook wel. Aan het hoofd van de kampleiding stond een regeringscommissaris. Als eerste werd als zodanig op 1 februari 1915 aangesteld kolonel Mingels, bijgestaan door zijn adjudant majoor Plas. Verder was er een kampraad bestaande uit Belgen onder voorzitterschap van de heer Decroix, die alle interne zaken regelde. Een belangrijke groep vormden de "poortwachters"; in de eerste plaats hielden zij bij de toegangspoort controle op het uitgaan en binnenkomen van de bewoners. Daarvoor beschikte ieder over een pas die dan getoond moest worden. Voor avondpermissie was een speciale vergunning vereist. Om te voorkomen dat de mensen niet al te laat binnenkwamen, moest bij thuiskomen ook de etenskaart waarop de warme maaltijd werd verstrekt, getoond worden. Half zeven 's avonds was het etenstijd. Bij wie na die tijd bij de poort arriveerde, werd de bon voor die dag van de kaart gescheurd en hij vond de hond in de pot. De poortwachter had ook de taak 's morgens in alle vroegte het keukenpersoneel te wekken en erop toe te zien dat zij inderdaad aan het werk togen, zodat het ontbijt tijdig gereed stond. Bovendien fungeerden zij ook als gevangenisbewaarders. Voorzover er althans boosdoeners in het arrestantenlokaal achter slot en grendel zaten, moesten zij dezen verzorgen.

Voor alle kampbewoners werd er 's morgens om zeven of acht uur, de tijd was afhankelijk van het seizoen, reveille geblazen. Uitslapen, behalve op zondag, was er niet bij. Opstaan, wassen, bedden opmaken, daarna ontbijten en vervolgens naar school of werk, uitgezonderd oudere mensen boven de vijfenzestig, die konden doen wat zij wilden. Voelde iemand zich niet lekker, dan kon hij zich ziek melden bij de kliniek om op de dokter te wachten. Een simulant viel meestal wel door de mand en kon alsnog naar zijn of haar werk vertrekken. Wie werkelijk ziek was verhuisde naar de ziekenbarak. Bij deze ziekenbarak behoorde tevens een kraamafdeling, want ook hier ging, zoals overal, geboren worden en afscheid nemen van het leven hand in hand. Het ontstaan van de rooms-katholieke begraafplaats in Ede is zelfs aan het vluchtkamp te danken. Er woonden in die jaren weinig katholieke mensen in het dorp. Men kende alleen de algemene begraafplaats. De Belgen zagen echter hun overledenen bij voorkeur in gewijde aarde begraven, waarvoor toen een stuk grond aan de tegenwoordige Prins Bernhardlaan, net over de spoorlijn Ede-Amersfoort, beschikbaar werd gesteld. Later is deze begraafplaats overgegaan naar de Edese parochie, maar de eerste mensen die hier, ver van huis, hun laatste rustplaats vonden, waren Belgen.

Het kamp beschikte verder over een eigen burgerlijke stand, postkantoor en ordedienst. Wel stond deze laatste onder toezicht van het Edese politiekorps en vooral de veldwachters Van Heeze en Modderkolk kwamen regelmatig op bezoek om een oogje in het zeil te houden. Niet geheel overbodig; ook de Belgen waren maar mensen die, in deze mobilisatietijd met afgepaste rantsoenen, probeerden wat aanvulling te vangen. De bossen met het nodige wild stonden in de naaste omgeving, begrijpelijk dat er nog wel eens een konijntje verschalkt werd. Eerst probeerden men de kampbewoners angst aan te jagen: er zouden jachtopzieners rondlopen met vérdragende geweren, zij misten nooit en konden een stroper op grote afstand raken. Het had weinig effect; de Belgen kwamen er niet van onder de indruk. Daarna werden de bossen tot verboden terrein verklaard, wat al evenmin veel uithaalde. Er waren toch geen mensen beschikbaar om daar toezicht te houden, tot schade van de hazen en konijnen.

De bevolking van het kamp was altijd hartelijk en voorkomend als de gezagdrager zijn ronde deed. Van zijn kant ging het eveneens gemoedelijk. Hij maakte graag een babbeltje, dronk hier en daar een kopje surrogaatkoffie mee, maar de aangeboren speurderszin van een politieman bleef paraat, vooral op stropersterrein. De bewoners hadden dat drommels goed door en op gepaste wijze werd een veldwachter eens bij de neus genomen. Een aantrekkelijk Belgisch vrouwtje nodigde hem tijdens een rondgang uit een hapje mee te eten. ,,Ik peins, gij hebt temet appetit veur een lekker hapske," vroeg zij, waarna hem omstandig uit de doeken werd gedaan dat haar man erin geslaagd was, buiten de etenskaarten om, voor wat extra's te zorgen. Inderdaad, het rook heerlijk toen de politieman haar woongedeelte binnenstapte. ,,'t Is ene hoaske," lichtte de vrouw toe terwijl zij hem een bord met een flinke bout daarop voorzette. Smakelijk at de man zijn portie op, ook voor hem was het mobilisatietijd, maar daarna kwam toch de dienstplicht weer boven. ,,Waar had je die vandaan, zeker weer aan het stropen geweest," informeerde hij langs zijn neus weg. ,,Och, gans niet meneerke, 't is moar een manier van doen, 't wasse een dakhoase," De maag van de veldwachter keerde zich bijkans om toen hij deze toelichting hoorde. Hij haastte zich naar buiten en heeft nooit meer een uitnodiging om "een stukske mee te eten" aangenomen. Mocht men de Edenaren uit die tijd geloven, dan waren de Belgen verzot op kattevlees; zij beschouwden het als een lekkernij en in de verre omgeving was geen enkele kat voor hen veilig.

De verhouding van de Edese bevolking tot de vluchtelingen was over het algemeen goed te noemen, al was er uiteraard een groot verschil tussen de opgewekte Vlaming en de conservatieve Edenaar. De Belgische vrouwen maakten vaak in groepjes de lange wandeling naar het dorp. Hier trachtten zij theebladen, kleedjes en andere snuisterijen, alles produkten van huisvlijt, aan de man te brengen. Dat lukte heel aardig; vandaag aan de dag zijn er nog Edese gezinnen die als herinnering zorgvuldig een theeblaadje bewaard hebben. Van de opbrengst kochten de vrouwen dan levensmiddelen die niet op de bon waren en tikten bij een slager soms wat spek of vlees op de kop. Verzot waren zij, als het daarvoor de tijd was, op radijsjes. Als bij een groenteboer deze witte knolletjes verkrijgbaar waren, was er al een bos onder hun grote schort verdwenen voor de man er erg in had. Zij betaalden correct, maar waren bang achter het net te vissen als het hun beurt was. Achter de wijde boezelaars, waaronder bovendien nog speciale zakken hingen, verdween alles wat zij inkochten, want de kampleiding had met deze extra aanvulling niets te maken. Het viel de poortwachter wel op dat de vrouwen aanmerkelijk dikker terugkwamen dan zij waren vertrokken maar daar bleef het bij: zijn bevoegdheid ging niet zo ver dat hij de vrouwen mocht fouilleren. Het sappige Vlaams begon in de Edese winkels een bekende klank te worden. Vooral de namen van Belgische kinderen vond men prachtig zoals ons Isidoorke, ons Rosalieke, ons Katrijne en ons Sanderken, om er een paar te noemen. De opmerking van een Belgische moeder tot haar kind dat een kat voor noodzakelijke behoefte zijn kuiltje zag krabben: "Kiek poezeken toch eens schoon kakken," ging het hele dorp door. Maar diezelfde moeders hadden het totaal verbruid als zij even later "De Roskam" binnenstapten om een koele pint bier te kopen, voor een Belgische vrouw een normale zaak. Talrijke Edenaren echter fronsten de wenkbrauwen: een fatsoenlijke vrouw kwam niet in een café, zeker niet zonder man. Men stak die opvatting niet onder stoelen of banken, de "madammekes" bemerkten het wel. Die tilden er niet zwaar aan: ,,agge mar leut het" was hun parool, waarbij zij het veel gebruikte scheldwoord "Kêskop" ("Kaaskop") achter de hand hielden. De Edenaar Waanders zag echter brood in de dorstige Belgen: boven op de Paasberg liet hij een houten keet zetten en begon een eet- en drinkgelegenheid. Voortaan konden de vrouwen op de heen- of terugweg daar wat uitrusten en hun glaasje bier drinken zonder verontwaardigde gezichten. Ook militairen, waarvan in deze mobilisatiejaren het dorp wemelde, streken hier veelvuldig neer. Het werd een gezellige tent. Waanders maakte goede zaken, maar na afloop van de oorlog was het vet er spoedig af en werd de zaak opgedoekt.

Ook tussen mannen uit het vluchtkamp en de burgerij werden contacten gelegd. Verschillende van eerstgenoemden die een vak verstonden, werkten bij Edese bedrijven. Timmerlieden bij aannemer Modderkolk, schoenmakers bij Giesbert Hey, bakkers bij Van der Burg en zo waren er meerderen. Deze Belgen kregen een tweedehands fiets ter beschikking en peddelden elke dag van en naar de Ginkelse heide. Nog jaren na de oorlog werd tussen Edese en Belgische families gecorrespondeerd.

Het vluchtkamp werd voor vele Edenaren vaak het doel van een zondagse wandeling, zij het meestal niet verder dan de afrastering. Om binnen te komen was een pas, de Belgen noemden dat een "Jnkoomkaart", à twee kwartjes vereist. Een heel bedrag voor die tijd, maar deze prijs was met opzet zo hoog gesteld om een grote toeloop te vermijden. Had men dit bedrag er voor over, dan stond bij de poort altijd wel iemand die aanbood de bezoeker rond te leiden. Een van deze gidsen was een bekende figuur binnen het kamp; Peerke noemde men hem. De bevolking van het vluchtoord wisselde nogal. Na verloop van tijd keerden sommigen naar het vaderland terug, anderen wilden daar juist weg. Zo ook Peerke. Hij redeneerde dat vooral het eten in Holland wel beter zou zijn dan bij hen. Dus vervoegde hij zich bij de Duitse .Kommandantur" in Antwerpen met de vraag: ,,Meneerke, kan ik een paske naar Holland bekommen? "De dienstdoende Feldwebel vraagt: ,,Wanneer denk je terug te komen? " Waarop Peerke, onder zijn pet krabbend, reageert: ,,Ja, zeg gij eerst maar, hoelang zedde gullie nog van plan hier te blijven? " Peerke vertelde dit snedige antwoord aan iedereen die het maar horen wil, vooral als hij gasten rondleidde. Ook daarin was hij een strateeg: punt van vertrek was de kantine, waar hij de bezoeker duidelijk maakte dat je hier een borreltje kon kopen, om later in hetzelfde lokaal de rondgang te besluiten. Peerke was een soort manusje van alles; hij liep constant met een bezem rond zonder die ooit te gebruiken, scharrelde in de keukens in de hoop een extra hapje te vangen en maakte zich ook nog nuttig door het weekblad "Ons Leven" rond te brengen.

Na het einde van de oorlog keerden de Belgen geleidelijk naar hun vaderland terug. De firma Ettikhoven en Brands kocht de zaak op, sloopten barakken en gebouwen om met een deel van het nog goed te gebruiken materiaal verschillende villa's in Ede te bouwen. De rust op de heide keerde weer. Na een paar jaar vervaagden alle sporen van bewoning. Nu, in deze tijd, wijst niets meer op het drukke leven dat eens hier heerste. Maar nog altijd liggen, even terzijde van het fietspad naar de Driesprong, een paar grote betonblokken, die de plaats aangeven waar eens de centrale stond.

Dit verhaal van Nijenhuis is eerder gepubliceerd in "Oud Ede, vertellingen uit ons dorp",(1979 -Vendet), een bundel Nijenhuis-verhalen uit 1979.