Hits: 2287
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

EDE STAD 17/10/79

In de gemeente Ede met haar uitgestrekte bossen, heide en lager gelegen weilanden, is stropen altijd een geliefde bezigheid geweest. Sommige mensen zat stropen in het bloed, een sport die van vader op zoon overging. Het triomfantelijk gevoel een boswachter in de luren gelegd te hebben, gaf vaak meer voldoening dan de buit. Geen wonder dat een ras-stroper soms nog op gevorderde leeftijd de bossen introk, waarbij zijn jarenlange ervaring de verdwenen rapheid moest vergoeden.

Toch was stropen niet uitsluitend sport, maar soms wel bittere noodzaak. In de winterdag, als er voor veel mannen geen cent te verdienen viel en op geen enkele uitkering viel te rekenen, waren konijnen en hazen de enige bron waarop een huishouden draaide. Hoewel strafbaar, vonden zij stropen volkomen gerechtvaardigd en werd het niet als misdaad beschouwd. In heel vroeger jaren moet onze omgeving een eldorado voor stropers zijn geweest; het wemelde er van herten, wilde zwijnen, hazen konijnen en zelfs wolven.

Blijkbaar werd stropen toen nog niet in strijd met de wet geacht, want op deze laatste diersoort werd zelfs een premie gesteld. Volgens een bepaling van 1 augustus 1645 werd het vangen van een rekelwolf met vijftig gulden beloond, geen kleinigheid in die tijd. Dat vele wild veroorzaakte zoveel schade aan de landbouwgewassen dat men, om deze te beschermen, omstreeks 1600 al begon met rond het dorp een wildwal, bestaande uit greppel en aarden wal aan te leggen. De wegen die de wal kruisten waren met hekken, die vanzelf dichtvielen, afgesloten. Aanvankelijk met succes, maar door gebrek aan onderhoud verzandde de greppel. In 1772 wordt de zaak door de nog steeds toenemende overlast opnieuw, door de Buurt, aangepakt en thans grondig.

De nieuwe wildwal liep vanaf de Sysselt, langs de rand van het Edese bos, via de Veldhuizerbrink tot aan de Wetering. (Opm: hier gaat Nijenhuis de fout in! JK) De greppel werd nu ongeveer twee en een halve meter breed en een meter diep. De uitgegraven grond werd aan de dorpszijde opgeworpen tot 1.80 m. hoogte waarop een hekwerk van palen en planken verrees. Hierdoor werd het zelfs voor een hert onmogelijk een dergelijke barricade te nemen. Een tijdlang bleek deze bescherming afdoende, maar na verloop van jaren deed het weer haar invloed op het hekwerk gelden, terwijl ook kwajongens hierop hun vernielzucht botvierden. Voor onderhoud was geen geld beschikbaar, zodat de Buurt in arren moede besloot dat iedere eigenaar van land, grenzend aan de wildwal, deze, voor zover zijn bezittingen reikte, zelf moest onderhouden. Geen halve maatregel dus, maar het effect bleef gering; de wildstand liep terug waardoor voor de boeren het onderhoud minder urgent werd. De wildwal kwam in verval om tenslotte geheel te verdwijnen, maar deskundigen kunnen vandaag aan de dag nog plaatsen aanwijzen waar resten van de greppel te zien zijn. In zijn boek “Rond de grijze toren”, waaraan schrijver bovenstaande gegevens ontleent, heeft de heer L. Schreuders een apart hoofdstuk aan de wildwal gewijd.

Maar met of zonder wildwal, stropers zijn er in onze omgeving altijd geweest. Een unicum op dit gebied vond plaats in Wekerom zo voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daar besloten de plaatselijke stropers, ter behartiging van hun belangen een vereniging op te richten. De Apeldoornse Courant van woensdag 17 december 1913 maakte er melding van met het volgende bericht: “Te Wekerom op de Veluwe is een stropersvereniging opgericht die de naam draagt van “Draagt Elkanders Lasten” en ten doel heeft gezamenlijk te belopen boetes te betalen. Zij verklaren openlijk dat zij in de afgelopen week tezamen 44 hazen, 23 konijnen, 7 fazanten, 5 korhoenders en één snip hebben geschoten”. Tot zover genoemde krant waaruit tevens blijkt dat bedoelde week een behoorlijke buit had opgeleverd.

Aan de Hoge Valkseweg te Wekerom woont de bejaarde maar nog zeer vitale Hendrik Donkersteeg, het enige nog in leven zijnde lid van het vroegere “Draagt Elkanders Lasten” , die mij bovenstaand krantenknipsel liet lezen. Hij en zijn nog eveneens zeer montere vrouw kunnen er nu hartelijk om lachen.

“Eigenlijk vormden wij meer een bond om gezamenlijk de stroppen op te vangen, want boetes waren vooral bij herhaling, niet misselijk”, zo meent Hendrik. De kas kon wel een straf van vijf en twintig gulden betalen, maar voor de enkeling, met een krap inkomen, was dat onmogelijk en dan wachtte de cel. De aaneengesloten stropers stortten elke week gedurende het jachtseizoen, zo half oktober tot april, in de zomer werd nooit gestroopt, een gulden in de kas. De broer van Hendirk, Wouter Donkersteeg, maakte zelfs een clublied, meer op felheid en kritiek op de geoorloofde jacht berustend, dan op dichtkunst. Ook dit is bewaard gebleven, voor de aardigheid volgt hier:

Wij zijn stropers van de bond,
Verenigd tot één doel,
Zo zwerven wij het jachtveld door,
Door sloot en beek en poel.

Patrijzen, hazen en konijnen,
Wij zweren hen de dood,
Al waren het ook wilde zwijnen,
We schieten alles dood.

De landman mest de haasjes vet,
En voert patrijs en snip,
Dat lijkt die grote heren wel,
Zij zijn er in een wip.

Als ’t jachtseizoen is aangebroken,
Vertrappen zij de oogst,
Daar werd nimmer over gesproken,
Wie roemt de jacht, werd hoog.

De leden van de club beschouwden zichzelf meer als jagers dan als stropers; zij hielden zich nooit op met strikken zetten; dat vonden zij beulenwerk en bovendien tijdrovend. In de avond moesten de strikken , vervaardigd van dun loperdraad, op de gangen van het wild, een goede handbreedte van de grond aan boom of tak bevestigd worden. De volgende ochtend werden de strikken op vangst gecontroleerd met altijd de kans dat de boswachter ze eerder had ontdekt en rustig, verscholen, op de stroper zat te wachten.

Ook het jagen met een fret was niets voor de gildebroeders, al was dat wel in zwang. Had zo’n stroper een konijnenhol, in vaktermen “wrang” genaamd, ontdekt, dan sloot hij de verschillende vluchtgangen, die met diereninstinct waren aangebracht met een netje af en stuurde daarna de fret het hol in. Dit bloeddorstige diertje dreef de verschrikte konijnen naar de uitgangen waar zij prompt door de stroper werden gegrepen. Toch had deze manier van stropen ook nadelen, want als de fret zelf een konijntje doodbeet, dan bleef het dier zich urenlang tegoed doen aan het bloed. De stroper bleef dan de keus, rustig wachten met de kans dat een boswachter hem betrapte, of de fret afschrijven. Dat was alles beneden de stand voor leden van D.E.L. ; zij trokken er op uit met een geweer altijd in groepjes van drie man.

De eerste met het geweer, geladen met hagel; de tweede droeg een grote carbidlantaarn, die dienst deed als lichtbak terwijl de derde man op zijn hoede bleef voor eventuele betrapping. Bij onraad gaf deze een fluitsignaal, waarop het drietal in verschillende richtingen de sokken er in zette. Het was zaak dat allereerst de man met het geweer in veiligheid kwam. Een wapen is een kostbaar bezit en als het in handen van de wetsdienaar viel, kon de eigenaar er naar fluiten. Later, voor het kantongerecht in Wageningen, werd naast de gebruikelijke boete, het geweer subiet verbeurd verklaard. De vereniging had een speciale man in dienst, ene Slotboom, die de geweren onderhield en zo nodig repareerde.

De Roekelse en Wekeromse eng en soms ook het Wekeromse zand, vormde het jachtterrein van de club. De grootste buit werd gehaald bij regenachtig, winderig weer; de hazen trokken dan eerder de vlakte op. Eén van de sportieve spelregels bij hun optreden was; nooit een haas in zijn “leger” te schieten; het dier moest een eerlijke kans hebben om te vluchten. Bij genoemd weer, lopend tegen de wind in, konden de dieren, aangetrokken door het felle licht van de carbidlantaarn, goed benaderd worden.

Stropers en jachtopzieners kenden elkaar van haver tot gort, konden achter een glas bier rustig samen een babbeltje opzetten, maar waren in het veld gezworen vijanden. Wel was een vaste code van een boswachter dat een stroper op heterdaad betrapt moest worden. Dat betekende vaak een achtervolging door weilanden en sloten en daardoor soms op de koop toe een nat pak. Maar het tevreden gevoel van de stroper als hij de dans ontsprongen was en de buit in klinkende munt was omgezet, vergoedde alles.

Een bekende jachtopziener uit die tijd in Wekerom was Teunissen, een man die elke paar woorden die hij sprak met “jong” afwisselde. Zo klaagde hij eens tegen zijn buurman: “Ik kan niet jong, even weg zijn jong, jong, of ze stropen, jong, tot vlak bij mijn deur, jong,”. Toch was hij lang niet achterlijk; op een najaarsmorgen laadde hij wat kisten eieren op zijn kar om daarmede naar de markt in Barneveld te gaan. Men bleef in Wekerom behoorlijk van elkaars doen en laten op de hoogte; elke stroper die hem zag gaan dacht: vandaag is de kust veilig. Geen mens had echter in de gaten dat achter die kisten zijn zoon zat; buiten Wekerom gekomen sprong Teunissen van de wagen, liet het eieren afleveren aan zijn zoon over en trok het veld in op zoek naar stropers.

Het ging nu eenmaal list tegen list; oude stropers kunnen er bomen over opzetten, maar hun tijd is voorbij. De maatschappelijke omstandigheden maken het niet meer noodzakelijk om bij nacht en ontij de bossen in te trekken. Maar de Wekeromse stropersclub, waarschijnlijk enig in de geschiedenis van het stropen is de moeite waard even uit de vergetelheid te halen.

H.J. Nijenhuis