Hits: 3288

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

EDE STAD 14/11/1979

LUNTEREN LOS VAN Ede (I)


Wie kan zich bovenstaande leuze die vlak na de oorlog in 1946 te Lunteren zoveel opgang maakte, nog herinneren. Het is nog niet zo gek lang geleden maar toch wel aardig, deze geschiedenis die ook in de gemeenteraad nogal deining veroorzaakte, op te rakelen. Trouwens, Lunteren was niet het eerste dorp in onze gemeente dat zelfstandig wilde worden; Bennekom had reeds tweemaal eerder daartoe een poging ondernomen. Beide dorpen bezaten blijkbaar nog een vage herinnering aan het feit dat zij eens, zij het voor korte tijd, een eigen gemeente vormden.

Wij moeten daarvoor een beetje in het verleden duiken, daarbij “De geschiedenis van Ede”, waarvan de vereniging “Oud Ede” thans bezig is een heruitgave te bewerkstelligen als leidraad gebruikend. Met ingang van 1 januari 1812, tijdens het Franse bewind, werd het oude ambt Ede in vier zelfstandige gemeenten verdeeld t.w. Ede, Lunteren, Bennekom en Otterlo, ieder met een eigen burgemeester, of naar het Franse woord “maire” genaamd. Waarom dit gebeurde is niet duidelijk; vermoedelijk met de gedachte dat vier gemeenten meer belasting zouden opbrengen dan één. De Franse prefect in Arnhem, waaronder ook Ede ressorteerde had alleen daarvoor belangsteling. Het besturen van vier gemeenten liet hem koud, als maar aan de financiële verplichtingen stipt op tijd werd voldaan. Ede was met 1798 inwoners, de grootste gemeente; tot maire werd hier benoemd Mr. C.B. de Vries en tot adjunct maire: J.J. Kleinhoonte.
Daarbij werden nog acht bestuursleden aangewezen die samen de gemeenteraad vormden. Bij de aanvaarding van hun ambt moesten zij de eed van trouw aan de keizer afleggen. Van dit gemeentebestuur ging niet veel uit; men had alle tijd nodig om de belastingcenten bijeen te brengen, zodat de rest er bij inschoot. Bovendien boterde het niet tussen Mr. De Vries en zijn secondant Kleinhoonte. Deze laatste verweet de burgemeester dat hij zijn taak verwaarloosde, vaak veel te diep in het glaasje keek, hetgeen talrijke represaille-maatregelen veroorzaakte.

Toen dan ook de bevrijding van het gehele land een feit was en er orde op zaken werd gesteld, bleek Mr. De Vries als burgemeester niet te handhaven. Hij zag echter tijdens zijn verdediging kans ook Kleinhoonte één en ander in de schoenen te schuiven met het gevolg dat beiden begin 1814 van hun functies werden ontheven. Tot opvolger werd benoemd dokter Reinier Burggraaf, zij het weer onder de aloude benaming van “schout”.

Na Ede kwam, wat aantal inwoners betreft (1328) Lunteren; hier werd als maire aangesteld Wouter Roelofsen met als adjunctmaire E.F. Roelofsen en eveneens een gemeenteraad van acht personen. De burgerij moest hier, naast de belastingen, zelfs de nationale feestdagen, die als Napoleon een overwinning had behaald werden bevolen, organiseren en betalen. Ook werden in Lunteren jonge mannen geprest om dienst te nemen in het leger en moesten de boeren op bepaalde tijden paarden leveren. Heel eigenaardig dat de laatste opdracht nog moeilijker te verwezenlijken bleek dan de eerste. Maar genoemde prefect die ook alles regelde, was lang niet gek; werden op de vastgestelde dag niet voldoende paarden aangevoerd, dan trok hij verder de Veluwe op en kocht ze daar, maar op kosten van de gemeente Lunteren. De gemeenteraad en vooral burgemeester Roelofsen, had het niet gemakkelijk met al die opdrachten. De maire werd in 1813 niet minder dan acht maal op het matje geroepen bij de prefect in Arnhem om verantwoording af te leggen. Wel was hij zo link om telkens reis- en verteringskosten in rekening te brengen. Geen wonder dat ook in Lunteren de bevrijding, nog datzelfde jaar, met vreugde werd begroet.

Otterlo, waarbij ook Harskamp en een gedeelte van Wekerom behoorde, vormde met 628 inwoners, verreweg de kleinste gemeente. Hier werd G. Pothoven tot maire en J. Schut als adjunctmaire benoemd, terwijl de gemeenteraad zes leden telde. Die Pothoven zal wel de handen vol gehad hebben; hij was reeds schoolmeester, koster, voorzanger en doodgraver toen hij ook nog tot burgemeester werd gebombardeerd. Deze kleine gemeente ontkwam evenmin aan de belastingaanslagen; in 1814 bedroegen deze niet minder dan duizend gulden. Van de troepenverplaatsingen in de winter 1813-14 had Otterlo minder last, daar het niet aan bestaande verkeerswegen lag. Wat dat betreft kwamen zij er genadig af, zeker vergeleken met Bennekom, de laatste gemeente die wij even memoreren.

In Bennekom werd als maire aangesteld de heet Th. Prins met als adjudant zijn zoon H.T. Prins. Zij waren telgen uit een zeer oude Bennekomse familie die, aan het begin van de Dorpsstraat de statige villa “Prinsenhof” bewoonde; de villa werd in 1924 gesloopt. Reeds tal van jaren hadden leden van dit geslacht overheidsfuncties bekleed. Zo was deze Th. Prins in 1799 zijn vader opgevolgd als ontvanger van het ambt Ede; geen wonder dat bij de splitsing in 1812 hij de aangewezen man werd geacht om burgemeester van Bennekom te worden. Na de val van Napoleon had Bennekom veel te lijden van doortrekkende troepen die rustig paarden en wagens van particulieren op straat in beslag namen.
De vreemdste opdrachten kreeg burgemeester Prins op zijn dak geschoven, zoals op 7 januari 1814 toen hij, op straffe van represaillemaatregelen, order kreeg ten behoeve van de veldbakkerijen, binnen twee dagen tweeduizend takkenbossen te leveren. Hoewel Bennekom veel bossen bezat, zag de heer Prins daar op zo korte termijn onmogelijk kans toe; hij kwam niet verder dan vijf vim schelhout (een vim is honderd bossen) en twee vim takkenbossen. Toen die opgestookt waren trokken de troepen tot opluchting van alle Bennekommers weer verder.

Op 1 januari 1818 werden de vier gemeenten weer samengevoegd; de vier burgemeesters verdwenen van het toneel om plaats te maken voor Mr. E.D. Meurs, aan wie de aloude titel “schout van de gemeente Ede” werd gegeven. Deze overleed betrekkelijk jong, in 1822 en werd opgevolgd door H. Th. Prins, een zoon van de vroegere Bennekomse maire, aanvankelijk ook nog als schout, maar in 1825 werd het definitief burgemeester. Tientallen jaren was er rust en vrede in onze gemeente tot, even nadat in 1896 Jhr. F.S. op ten Noort als burgemeester in Ede intrede had gedaan, Bennekom een poging ondernam om zelfstandig te worden.

Het boterde al geruime tijd niet meer tussen gemeentebestuur en een aantal Bennekommers. Bennekom had zich in de loop der jaren ontwikkeld als pensionplaats van “standing” en heel wat gegoede stedelingen hadden er, tevens, aangetrokken door de fraaie en rustige natuur, een villa laten bouwen. Daardoor was het een deftig dorp geworden met veel welgestelde inwoners, die hoog werden aangeslagen in de personele belasting. De Bennekommers stelden zich nu, niet geheel ten onrechte, op het standpunt dat het geld, door hen in de gemeentekas gestort, ook uitsluitend aan Bennkom besteed zou worden.

De gemeente wilde daar niets van weten, dus zochten de Bennekommers het hoger op. In 1896 werd door Mr. A.C. v. Dalen, die een villa bewoonde op de plaats waar nu het Bart van Elst plantsoen is, tezamen met andere vooraanstaande inwoners, een adres naar Gedeputeerde Staten van Gelderland gezonden. Hierin zetten zij hun bezwaren uiteen; ondanks dat zij het beste de gemeentekas spekten, werd aan het onderhoud van wegen of andere plaatselijke belangen vrijwel niets gedaan. Resumerende werd erop gewezen dat zij financieel beter hun eigen boontjes konden doppen en verzochten genoemd college Bennkom tot zelfstandige gemeente te verheffen.
Ged. Staten stuurden dit schrijven om advies naar de gemeenteraad van Ede, waar het op 17 april 1896 werd behandeld. Daar maakte het natuurlijk geen enkele kans; naar recht en billijkheid werd een zevende gedeelte van de inkomsten aan Bennekom besteed, terwijl in de hele gemeente de wegen slecht waren. Dat er in Bennekom veel kapitaalkrachtige mensen woonden was in ieder geval prettig voor de middenstand. Tevens werd erop gewezen dat drie van de vijftien raadsleden uit Bennekom kwamen en deze nog nooit een klacht hadden geuit. Door dit afwijzend advies was wel de afscheiding van de baan, maar Bennekom geenszins tevreden.

Tien jaar later dienden zij, met vrijwel dezelfde argumenten opnieuw een verzoek tot zelfstandigheid in, ditmaal onder aanvoering van de heer A.J. Schimmelpenninck v.d. Oye. De procedure had hetzelfde verloop; alleen bleek bij behandeling in de Raad, dat de drie Bennekomse raadsleden behoorlijk bewerkt waren. Het trio verdedigde thans het voorstel met alle mogelijke middelen, maar tevergeefs, met elf tegen drie stemmen werd opnieuw besloten Ged. Staten opnieuw te verzoeken afwijzend op het verzoekschrift te beschikken, hetgeen prompt gebeurde. Na deze tweede mislukte poging gaven de Bennekommers de strijd definitief op.

Hoewel zeer beknopt zijn we door dit stukje geschiedenis nog niet toegekomen aan de eigenlijke titel van dit verhaal, reden om volgend maal nader in te gaan op het streven van Lunteren.

H.J. Nijenhuis