Hits: 2208
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

EDE STAD 19/12/1979

DE EERSTE VUILNISOPHAALDIENST

Men neemt tegenwoordig vrijwel vanzelfsprekend aan dat tweemaal per week een vuilniswagen met bemanning voor de deur verschijnt om ons overtollig afval op te halen. Toch bestaat deze tak van gemeentediensten nog geen twintig jaar en is het ruim een halve eeuw geleden dat een particulier een dergelijk bedrijf in het leven riep. Voordien moesten de burgers zelf voor hun afval zorgen, evenals zij in nog vroeger tijden, ook belast waren met het schoonhouden van de straten. Aan die laatste taak werd van hoger hand terdege aandacht geschonken; zo werd in 1856 per gemeenteverordening vastgesteld dat de aanwonenden twee maal per week, op dinsdag en vrijdag hun straten en goten grondig moesten reinigen door alle modder en vuil te verwijderen.

Bovendien werd verordend de straten driemaal per jaar te wieden, deze ’s zomers om stofwolken te bestrijden, met water te besproeien en in het koude jaargetijde ijzel en gladheid door zand te strooien tegen te gaan. Geen halve maatregelen dus op dit terrein, maar over huisafval wordt niet gesproken, daar hadden de mensen zelf wel een oplossing voor.
Trouwens veel was dat niet; een verstandig man had in zijn tuin een composthoop, waar al het verrotbare afval werd gedeponeerd om, later in het voorjaar, gelijk met de mest te worden ondergespit. Veel bleef er dan al niet meer over; plastic verpakkingen waren nog onbekend; op lege flessen werd vanwege het statiegeld angstvallig gelet en met oud papier werd de kachel aangemaakt.
Hetgeen werkelijk van geen enkel nut was, werd op braakliggende grond of in een van de talrijke zandkuilen gegooid en dan liefst zo dicht mogelijk bij huis. Wel werden in later jaren door het gemeentebestuur twee stortplaatsen aangewezen n.l. op het Oortveld en de Asakkers, maar slechts mensen die in de omgeving woonden maakten daar gebruik van evenals de meer gegoede bewoners van villa’s. Die hadden veelal een gemetselde afvalput in hun tuin die op bepaalde tijden werd leeggehaald. Een bekende voorman voor dit soort werk was Kuit, die een slepersbedrijf had en dicht bij Oortveld woonde, latere huizenbouwers op dat Oortveld hebben de nadelen van al dat gestorte vuil nog ondervonden.

Na de Eerste Wereloorlog, toen ook in ons dorp nieuwe woonwijken werden gebouwd en het aantal inwoners sterk toenam, werkte het op alle mogelijke plaatsen gegooide afval niet mee tot verfraaiing van de nieuw aangelegde wegen, althans volgens het oordeel van B. en W. Dit College diende tijdens de gemeenteraadsvergadering van 15 mei 1928, een voorstel in om te komen tot een gemeentelijke huisvuilophaaldienst. Ook de Raad was wel degelijk van het nut daarvan overtuigd, maar zuinig als men in die jaren nog was, vreesde men aanzienlijke tekorten. De vroede vaderen hapten niet meteen toe, maar benoemden een commissie bestaande uit de heren J. Fijlstra en J.W. Kroon en wethouder W.S. van Voorthuizen om de kwestie te bestuderen. Na lang wikken en wegen kwamen de heren tot de conclusie dat een dergelijke dienst een jaarlijks tekort van minstens f. 4000,- op zou leveren.

Inmiddels was door deze beraadslagingen, middels de pers publiek geworden, ook belangstelling van particulieren gewekt en werden zelfs enkele aanbiedingen gedaan. Daar zag de Raad wel wat in; men kwam op het heldere idee het ophalen van huisvuil te gaan aanbesteden, voorlopig voor een periode van vijf jaar. Op 7 november 1928 werd deze openbare aanbesteding gehouden; er waren liefhebbers genoeg; niet minder dan elf inschrijvingen met zeer uiteenlopende bedragen dienden hun biljet in. De hoogste inschrijver vroeg negen en zestig cent per maand per abonnee, de laagste de heer Koetsier, slechts veertien cent, waarbij dan de abonnee een kwartje per maand zou betalen.

Dit laatste bod paste goed in het straatje van de gemeente; men sloeg aan het rekenen; het aantal klanten was moeilijk in te schatten maar het zaakje zou onmogelijk meer dan f. 1000,- per jaar kunnen kosten. Met slechts twee stemmen tegen werd de heer Koetsier de ophaaldienst toegewezen. Deze liet een wagen ombouwen voor dergelijk werk met voorop een grote bel, die de mensen te kennen gaf: “daar komt de vuilnisauto aan”.
Hij startte 1 januari 1929 om één maal per week de straten af te rijden, al was het aantal klanten nog zeer bescheiden. Veel mensen zagen het nut er niet van in, beschouwden dat kwartje per maand als weggegooid geld en gingen op de oude voet verder. Geen wonder dat er het eerste jaar een verlies van f. 2000,- werd geleden, in die dagen een dergelijk groot bedrag dat een ander de moed zou hebben opgegeven, maar niet Koetsier.
Deze zette door; het aantal abonnees steeg geleidelijk, zo zelfs dat in 1933 voor het eerst winst kon worden geboekt.

Overigens, die Koetsier wist van aanpakken; hij woonde op de hoek Bunschoterweg-Kreelseweg en dreef een expeditie en verhuizersbedrijf. Door dit laatste werk was hij vaak in de gelegenheid om voor een krats oude meubels op de kop te tikken die mensen bij een verhuizing afdankten. Dat bracht hem op het idee een zaak in tweedehands meubelen op te zetten. Hij kocht een pand in de toenmalige Bospoortstraat, richtte dat in en ging er ook wonen. Op aandringen van zijn vrouw reserveerde hij het voorste deel van de winkel voor nieuwe meubels want alleen dat afgedankte spul vond zij maar armoedig staan. Uiteindelijk is dit de grondslag geworden van de huidige bekende meubel- en stoffeerinrichting L. Koetsier.

Juist toen er schot in de vuilnisdienst begon te komen was op 1 januari 1934 zijn contract met de gemeente afgelopen en kwamen de moeilijkheden. De heer Koetsier verzocht de gemeente dit verband onder dezelfde voorwaarden met vijf jaar te verlengen, maar de Raad die meende dat nu de zaak na de aanloopperiode, goed draaide, dacht er meer voordeel uit te kunnen slaan en weigerde. Er werd besloten opnieuw een aanbesteding te houden, waarbij ditmaal als laagste inschrijver de firma Lagerweij uit de bus kwam en de vergunning in handen kreeg.

Maar Koetsier die door vijf jaar hard werken zijn klantenkring op ruim dertienhonderd had weten te brengen, nam dit niet. Eerst de verliezen incasseren en dan een ander de vruchten laten plukken, was hem te gortig. Per advertentie in de plaatselijke bladen liet hij bekend maken dat de vuilnisdienst, zij het zonder steun van de overheid, maar wel tegen hetzelfde maandelijkse tarief door hem op dezelfde voet werd voortgezet. Voor Lagerweij was nu de aardigheid er af; terecht begreep hij dat het gros van de abonnees Koetsier trouw zou blijven en er voor hem geen brood meer in stak. Hij trok zich dan ook terug, hetgeen de gemeenteraad uitstekend vond; immers er functioneerde nu een vuilnisdienst die geen cent kostte. Zo ging Koetsier, bijgestaan door zijn twee knechts van het eerste uur, Mosterd en Van Mourik voor eigen risico verder. Men keek niet zo precies wat er werd meegegeven; vuilnisemmers waren er nog niet, de bewoners zetten een gevulde doos, kist of teil aan de weg, die dan in de wagen werd leeg gekieperd. Werken bij de vuilnisdienst betekent, ook vandaag de dag nog, een hele dag in hoog tempo aanpakken. Begrijpelijk dat als het gedeponeerde te zwaar bleek, zoals van een winkelier die na een verbouwing een metershoge kist met puin had gevuld, deze bleef staan. Ook waren er uitgeslapen mensen die in het voorjaar, tijdens de schoonmaak, voor een maand lid werden om van hun rommel af te komen en dan weer bedankten.

De eerste vijf jaar, toen de gemeente nog een vinger in de pap had, moest Koetsier het afval naar Wekerom brengen, maar eenmaal vrij man vond hij dat veel te ver. Hij kocht van de kerk voor een billijke prijs een lap grond achteraan de Kreelseweg naast de tuin van de villa “Ingenetta”. Daar stortte hij, op eigen terrein dus, volle wagens, maar bedekte het steeds met zwarte grond teneinde de omwonende geen overlast te bezorgen. Nu nog kan men daar, even voor het Edese bos, een uitgebreide rij heuveltjes zien zij het thans met gras begroeid.

In 1949 werd de dienst uitgebreid met Bennekom en Lunteren waar zich resp. 600 en 230 abonnees opgaven. Het abonnementsgeld moest door de veranderde omstandigheden wel wat opgeschroefd worden, maar bleef toch betrekkelijk laag, zes gulden per jaar.

In 1960 vond de heer Koetsier het welletjes; door de enorme uitbreiding van Ede en nevendorpen werden de trajecten zo groot, dat een kapitaal zou moeten worden geïnvesteerd aan nieuw materiaal en het nodige personeel. Hij bood de gemeente aan het bedrijf voort te zetten, waarmede de Raad accoord ging. Materiaal en wagenpark alsmede het gehele personeel werd door de gemeente overgenomen. Het tarief werd verhoogd tot negen gulden per jaar, maar daarvoor werd voortaan twee maal per week huisvuil opgehaald.

Nu weet men al lang beter; de moderne vuilniswagens zijn een vertrouwd beeld in onze straten geworden, maar daarom is het toch wel aardig om even aan de man, die vijftig jaar geleden het initiatief voor deze onmisbare dienst nam, terug te denken.

H.J. Nijenhuis