logo_Ede

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

EDE STAD 09/01/1980

DE STERKE ARM IN OTTERLO

Evenals overal elders was ook in Otterlo voor handhaving van tucht en orde politie nodig. Eén van hen, die bij oudere inwoners nog goed in het geheugen ligt was rijksveldwachter Groters. Deze man, bij de burgerlijke stand ingeschreven als Reinier Albertus Groters, werd geboren 21 februari 1865 te Rozendaal bij Velp. Na aanvankelijk zijn geluk in de bouwvakken te hebben beproefd, trad hij als jachtopziener in dienst bij een groot grondbezitter. Het zwerven in de vrije natuur beviel hem wonder goed, maar nog liever zou hij de voersporen van zijn vader drukken die rijksveldwachter was.

Voor die functie was toen nog niet veel vooropleiding nodig; naar behoefte werd een man die daarvoor geschikt bleek door hogerhand beëdigd en aangesteld. Het toeval kwam Groters te hulp; bij een inbraak in een villa te Rheden werd de dief op heterdaad betrapt, maar holde de trap op en was verdwenen. De ijlings gewaarschuwde veldwachter doorzocht het hele huis, maar de man bleef spoorloos. De eveneens aanwezige Groters, die krachtens zijn functie ook in dienst van de wet stond, stelde voor dat hij een onderzoek zou instellen. Dat werd toegestaan; Reinier controleerde elke verborgen hoek en kasten om tenslotte onder het dak, tussen hanenbalken en bebording de inbreker te vinden en in te rekenen.

Zo’n speurder zou ongetwijfeld een goed politieman worden meende men, en al gauw werd Groters tot rijksveldwachter bij de gemeente Rheden aangesteld. Hij huwde op 28 mei 1889 met Aaltje Veenendaal en werd op 12 november 1900 overgeplaatst naar Otterlo. Zijn vrienden in Velp en omgeving trokken een bedenkelijk gezicht toen zij dit nieuws vernamen. “Maar waar begin je aan, het zijn daar halve wilden, zij snijden je kop er af”, was hun opwekkend oordeel.
Maar Groters kwam er niet van onder de indruk en terecht, de bewoners van Otterlo bleken gemoedelijk en joviale mensen, waarmee hij direct goed overweg kon. Al spoedig werd Groters met zijn opvallende baard een vertrouwde figuur in het dorp, al liep hij vrijwel altijd in burger en verleende alleen een groen jagershoedje hem wat officieel cachet. Zijn uniform bewaarde hij voor bijzondere dagen zoals Koninginnedag of bij hoog bezoek. Bij kwajongensstreken had hij zo zijn eigen manier van optreden, waarbij het bonnenboekje in de zak bleef.

Zo zag hij eens twee jongens op weg naar school een vogelnestje uithalen; naar gewoonte werden de eitjes onder de pet opgeborgen. Hij slenterde hen na tot het schoolplein waar de jeugd tot het luiden van de bel aan het stoeien was. Bij de twee belhamels gekomen vroeg hij langs zijn neus weg: “Jullie hebben toch geen kattenkwaad uitgehaald?” ”Nee Groters”. “En de vogeltjes met rust gelaten?” “Natuurlijk Groters” klonk het opnieuw. “Dan zijn jullie brave jongens", meende Groters en hen gelijktijdig een klap op het hoofd gevend besloot hij: “Ga dan maar gauw naar de meester”. Op hetzelfde ogenblik dreef de inhoud van de eitjes over hun gezicht tot uitbundige vreugde van de aanwezige kinderschaar.

Een andere keer betrapte Groters een rakker die met volle overtuiging bezig was de ruitjes van een gaslantaarn aan diggelen te gooien. Hij greep de knaap in zijn nekvel en gaf hem een stevige aframmeling. De jongen holde moord en brand schreeuwend naar huis om zijn beklag te doen. Een paar uur later kwam een verbolgen vader aanzetten: “Luuster’s Groters, ‘k wil niet hen dat meester mien kiender slaot, maar jie ok niet”. “Wat had je dan liever”, repliceerde Groters, “een bekeuring van vijf gulden waar jij voor op moet draaien wat bijkans een week werken betekent, of je zoon een pak slaag dat hem nog lang zal heugen”. De aanvankelijk zo verontwaardigde vader zag de waarheid hiervan in en droop af.

Op een nacht werd door een paar zwervers bij verschillende inwoners van Otterlo ingebroken; ook het huis van Groters werd met bezoek vereerd. Na door het keukenraam te zijn geklommen, zagen zij tot hun schrik in een aangrenzend portaal zijn uniform hangen. Het drong tot hen door dat zij hier aan het verkeerde adres waren, dus ijlings er vandoor. De volgende morgen werden hem de inbraken gemeld en ontdekte Groters tevens zijn geforceerd raam. De brutaliteit om bij de veldwachter in te breken maakte hem zo woedend dat hij al zijn normale werk in de steek liet en onmiddellijk tot actie overging. Na twee dagen rusteloos speuren, slaagde hij er in, ver buiten Otterlo de daders te arresteren.

Zoals vermeld, was Groters tevens jachtopziener en op dit gebied bezorgden de anders zo rustige Otterloers hem volop werk daar bij velen stropen met de paplepel was ingegeven. Omgekeerd kende Groters voor stropers geen genade en schuwde geen enkele list om hen te betrappen. Het was hem opgevallen dat in de omgeving van “de Houtkamp” een boerderij even voor de tegenwoordige ingang van “De Hoge Veluwe”, regelmatig in de vroege ochtend werd geschoten. Daar wilde hij haring of kuit van hebben; terwijl het nog donker was, klom hij in een appelboom en wachtte. Jawel hoor, in het prille licht als de hazen van hun legers komen, verscheen de boer gewapend met een jachtgeweer. Deze liep de hof door en begon op de langoren te schieten. Even later verscheen zijn vrouw in de deuropening en roep: “Hei je d’r al één?” “Dat zal wel niet”, klonk het uit de boom, waarop Groters naar beneden sprong en prompt de verbouwereerde boer een proces-verbaal gaf.

Een ander maal ontdekte hij een vrouw die de strikken, de vorige avond door haar man gezet, naliep. Juist toen zij er een haas uithaalde, zag zij Groters aankomen. IJlings verdween het dier onder de wijde rokken, waarna zij de veldwachter onschuldig aankeek. Deze meende: “Jij bent ook al vroeg in het veld en dan nog wel in gezegende omstandigheden als ik het goed zie”. “Joa ’t is weer zo veer” antwoordde de vrouw, blij met deze voor de hand liggende oplossing. “Ik vertrouw het niet erg, fouilleren mag ik je niet, maar voor alle zekerheid ga je effe met mij mee naar de dokter”. Dat werd haar toch te gortig en nu kwam de aap, liever gezegd, de haas, uit de mouw, al voerde de vrouw nog tot verontschuldiging aan: “Eerlijk Groters ‘k docht dat ’t een kiep was”.

Door dit jachtopzienerschap werd Groters ook ingeschakeld als door een aantal heren in het najaar jachtpartijen werden georganiseerd. Hij zorgde voor drijvers en moest een dag ervoor de boer van “Pamplet” waarschuwen. Daar werd altijd middagpauze gehouden en zorgde de boerin voor spekpannekoeken. Bij een dergelijke gelegenheid drentelde een jager, nadat de stapel pannekoeken was verorberd, de keuken in en zag nog een exemplaar op het aanrecht liggen. “Die kan er nog wel bij”, dacht hij en at hem smakelijk op. Even later kwam de verschrikte boerin aanzetten en vroeg waar die pannenkoek uit de keuken was gebleven. “Die heb ik opgegeten”, klonk een forse stem, “mocht dat niet?”. “Niet magge, weifelde de vrouw en toen, op aandringen, “die waar feitelik veur ons Jantje; ’t kiend het dauwwurm dan is ’t mirakels goed om de paar uur een pannenkoek op ’t heufje te leggen, daar ha’k die de hele tied veur gebruukt”. De man werd bleek, zijn maag begon te draaien en hij haastte zich naar de deel om zijn portie pannenkoek aan de varkens prijs te geven.

Al bezat iedere deelnemer een jachtakte, daarom waren het nog niet allemaal jagers. Er liepen soms mannen bij die van schieten weinig kaas hadden gegeten. Zulke zwakke broeders stak Groters, die zich veelal bij de drijvers bevond, nog wel eens een riem onder het hart. Bij het verzamelen van het wild hield hij dan een konijntje of een fazant achter, liep even later naar de zondagsjager gaf hem het dier en zei: “Asjeblieft, die heb jij geschoten, toevallig zag ik het, een prachtig schot”, waarna de man triomfantelijk zijn buit in zijn weitas stopte.

Die Reinier Groters heeft een werkzaam leven gehad, vaak dag en nacht op stap en bovendien een groot gezin te onderhouden. Het echtpaar kreeg tien kinderen, zes jongens en vier meisjes; een unicum was dat later al de jongens voor korte of langere tijd in militaire dient zijn geweest. De thans vijf en zeventig jarige zoon Piet Groters, nog altijd in Otterlo wonend, kan er smakelijk over vertellen hoe dit stel liefdevol maar met de nodige strengheid werd grootgebracht.

Eén vrijetijdsbesteding leerden de jongens, mede door de verhalen van hun vader, al jong, nl. stropen. Op jeugdige leeftijd trokken zij al de bossen in om wild te verschalken; overigens heel geraffineerd, als zij zeker wisten dat vader thuis of voor dienstzaken naar Ede moest. Een vreemde situatie, vader rijksveldwachter en jachtopziener en zijn spruiten met strikken op pad. Zonder medeweten van het ouderlijk gezag, hebben zij menige haas gevangen, al konden zij moeilijk met de buit naar huis komen. Maar zij hadden hun eigen afnemers en konden zich zo van een zakcentje verzekeren.

Wij zouden nog geruime tijd met verhalen van zoon Piet kunnen doorgaan, maar dat zou te ver voeren en doen dat t.z.t. liever in een afzonderlijk artikel.

Reinier Albertus Groters was geenszins een bijzondere man, maar iemand die met hard werken zijn plicht heeft gedaan, vaak zelfs meer dan dat. In alle stilte heeft hij behoeftige mensen vaak verrast met een stuk spek of een pakket levensmiddelen, terwijl hij een vraagbaak is geweest voor veel inwoners van Otterlo. Hij overleed, na nog dertien jaar van een welverdiend pensioen te hebben genoten, in 1943.

H. J. Nijenhuis.