Afdrukken
Hits: 1848

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Toen het huidige gemeentheuis gebouwd zou gaan worden, moest onder andere de Paasbergschool aan de Schoolstraat het veld ruimen. H.J. Nijenhuis schreef toen dit artikel, dat voor het eerst verscheen in het periodiek van de Vereniging Oud Ede, jaargang 974 nummer 2.

Ik weet niet hoeveel mensen nog éénmaal een kijkje genomen hebben bij hun oude school, voor de slopers er bezit van namen.

In de loop der jaren moeten het generaties Edenaren zijn geweest, die hier hun eerste stuntelige pogingen hebben gedaan om de kunst van lezen en schrijven onder de knie te krijgen. Het zal hen dan wel vergaan zijn als mij, al is het meer dan een halve eeuw geleden, er komt een tikje weemoed boven, als je terugdenkt aan de jaren in dit gebouw doorgebracht.

Nog staat de 1e april 1917 mij helder voor de geest. Vergezeld van een tot dezelfde lichting behorend buurjongetje, gewapend met spons en griffeldoos, alsmede voorzien van een pokkenbriefje, en onder de hoede van beide moeders, maakten we onze eerste schoolgang . Door de lange donkere gang liepen we naar het laatste lokaal links, bekend als de eerste klas. Het was een topjaar: niet minder dan twee en zeventig kinderen werden daar door juffrouw Brusse opgevangen en op hun gemak gesteld. Geen idee had ik toen, evenmin als nu trouwens, hoe oud ze eigenlijk was, maar zij kwam mij voor als een goedlachse Oma, die ons als kleinkinderen op haar verjaardag ontving. Je zag haar niet lopen: zij was klein van stuk, en droeg zulke lange rokken dat haar voeten onzichtbaar bleven. Daardoor leek het steeds of ze op je af kwam schuiven.

Overigens voor de schoonmakers van de school een bofje, want met de zoom van haar rok hield ze constant de paden tussen. de banken en het gedeelte voor het bord brandschoon. Onder de banken, waar altijd afgekloven klokhuizen en propjes zoethout te vinden waren, kwam het niet zo nauw: daar waren de vacanties voor.

Hoe juffrouw Brusse ons de eerste elementaire grondbeginselen bijbracht, zou ik niet meer kunnen zeggen. Blijkbaar bij een tiental, waaronder mijn persoontje, met enig succes, want na een paar maanden besloot zij de overvolle klas wat uit te dunnen en stuurde ons door naar de tweede, waar meer ruimte was. Daar werden we eerst als indringers ontvangen maar, onopvallend, hobbelden we zo goed mogelijk mee. Toen het jaar voorbij was, had iedereen de eigenlijke situatie vergeten en met het overgaan op 31 maart gingen we doodleuk mee naar de derde klas, zodat er in mijn schoolgaan aardig schot zat.

In dat eerste schooljaar maakte een soort spaarpot met een negerkopje er op grote indruk op mij. Het leek een toverding; als je er een cent instopte, bedankte dat zwarte kopje met een sierlijke knik. Het geld was voor de zending, vertelde de juffrouw, daar was veel voor nodig. Dat doel interesseerde me minder, maar om het knopje te zien knikken heb ik moeder menige cent afgetroggeld.

Helaas, de verleiding komt al vroeg in je leven; een paar maal ben ik bezweken, door mijn cent niet te offeren, maar er bij Jans de Kloet een stokje zoethout voor te kopen. Hopelijk heeft mijn zusje later die zonde weer goedgemaakt toen ze, zover gekomen dat zij handwerkles kreeg, op een keer thuis kwam met de enthousiaste mededeling, dat ze broekjes moesten breien voor blote negerkindertjes; dat heb ik toen ook maar onder zendingswerk gerekend.

Eigenaardig, van het eigenlijke schoolleven weet ik niet veel meer, maar de bijkomende dingen blijven soms hangen. Zo zie ik mijzelf nog zitten, met opgeheven rechterarm en gestrekte wijsvinger, soms wel tien minuten lag, tot de meester mij eindelijk aandacht schonk, waarop ik dan beleefd vroeg: "Meester, mag ik even naar achteren?", hetgeen meestal wel werd toegestaan. Als je er even op door denkt, een rare vraag: "mag ik even naar achteren", omdat de w.c.'s zich vlak tegenover de leslokalen bevonden.

Ook de z.g. overblijvers herinner ik me nog goed: dat waren kinderen die in de wijde omgeving woonden en soms meer dan een uur moesten lopen om de school te bereiken, en die darom dus tussen de middag overbleven. Zij kwamen uit de Maander- en Doesburgerbuurt, maar de meeste indruk maakten de kinderen van de Ginkel en Hindekamp op mij; wat een enorme afstand om dat, bij weer en wind, tweemaal op één dag te lopen.

Natuurlijk kwamen ze dan wel eens te laat, al viel het op dat zoiets vaak op maandagmorgen voor kwam. De week begon nl. met het opzeggen van een psalm, die uit het hoofd geleerd moest worden. Dat was voor de meesten van ons een hele kluif en ik gaf ze groot gelijk, als je gemiddeld één keer in de week te laat kwam, kon je dat het beste op maandagmorgen doen. Wij hoorden dan een bescheiden klopje op de deur, waarna ze met de klompen in de ene en het broodzakje in de andere hand, binnen kwamen, om snel naar hun plaatsen te gaan. De klompen in de hand, hoorde zo. Je moest die bij de deur uittrekken en onder de bank zetten. De broodzak meenemen werd pas later toegestaan; eerder moest die bij het jasje aan de kapstok hangen. Maar toen een paar kornuiten van dat "naar achteren gaan" tevens gebruik maakten om de broodbelegging, meestal smakelijke boerenmetworst, ertussen uit te halen en op te eten, werd dat voorschrift gewijzigd.

De straffen voor baldadigheid of niet opletten waren, al naar de aard van de meester, zeer variabel. Een paar waren overtuigd dat er in lijfstraffen een opvoedende kracht aanwezig was, en zij liepen voortdurend met een Spaans rietje in de hand om links en rechts een afdwalende leerling tot de orde te tikken of, in erge gevallen, tien slagen tegen de billen te geven, voor het front van de klas. De ander bepaalde zich tot het: "in de hoek staan". Als de klas een rumoerige bui had leek het wel honkbal: vier honken bezet, soms dubbel. Ook schoolblijven, al of niet gecombineerd met het schrijven van honderd strafregels in de trant van: "ik moet voortaan beter opletten", werd veelvuldig toegepast. Maar de zwaarste straf, waar we allemaal als de dood voor waren, was het kolenhok. Kon de meester een knaap niet meer baas, dan nam hij een kloek besluit en sloot de belhamel op in de kelder, tevens kolenbergplaats. In het hartstikke donker, te midden van het kolengruis, kon het slachtoffer zijn zonden daar overdenken. Maar later werd hij door ons als een held vereerd; hij had het kolenhok toch maar overleefd.

Wat de meesters betreft: een paar staan er in mijn geheugen gegrift, terwijl ik anderen glad vergeten ben. Eén van de eerste categorie was meester Jansen, hij gold voor de aardigste meester van de school , maar wat ik in hem zo waardeerde, was zijn vertelkunst. Hij kon het ons zo realistisch voortoveren dat ik bijv. de Rode Zee, nadat de Israëlieten er door getrokken waren, met een gevoel van welbehagen de Egyptenaren zag verzwelgen.

Ook het verhaal van Michiel de Ruyter, die in een onbewaakt ogenblik de ladders van de leiendekkers opklom om boven op de spits van de toren naar de Schelde en de schepen te kijken, had mijn volle aandacht, Hij vergat echter de tijd en toen hij eindelijk naar beneden wilde merkte hij, tot zijn schrik, dat de leiendekkers met hun ladders al weg waren. Maar- geen nood, Michieltje trapte de leien stuk, waardoor hij heelhuids beneden kwam.

's Avonds, na het eten, vertelde ik thuis dit verhaal, maar toen zette vader een domper op mijn enthousiasme. "Laat je toch niet alles wijs maken, jong", was zijn commentaar, "geen leidekker zal het in zijn hoofd halen de ladders weg te halen als ze naar huis gaan; daar wachten ze mee tot het hele karwei klaar is." Daar zat wel wat in; tenslotte werkte vader in de bouwvakken en kon het wel weten, maar mijn geloof in de meester bleef onwankelbaar. Ik heb van toen af aangenomen dat Michiel voor zijn klim juist die middag had uitgekozen dat de leidekkers met hun werk gereed kwamen.

Daar had je ook meester Stroband, een pracht mens, die zijn tijd eigenlijk ver vooruit was. Die leerde je niet alleen wat het rooster aangaf, maar stelde ook belang in je liefhebberijen en toekomst. Hij was tevens leider van een knapenvereeniging, zoals een jongensclub destijds plechtig werd genoemd, en ging in de zomermaanden met hen een week kamperen; voor die tijd erg vooruitstrevend. Ook werkte hij mee om hen, die verder zouden leren, daarvoor klaar te stomen. Die kinderen, nooit erg veel, vormden dan de z.g. "Franse les" en werden door enkelen jaloers, maar door het merendeel van ons minachtend bekeken.

Het hoofd van de school was meester Schreuder, een klein kogelrond mannetje dat, hoewel je het niet direct van hem zou denken, soms olijk uit de hoek kon komen. Hij nam de leerlingen voor zijn rekening die de zeven klassen doorlopen hadden en niet naar een hogere school gingen, maar door hun leeftijd nog leerplichtig bleven. Daar kon hij zijn hobby vak op botvieren: rekenen; hele middagen zaten we over sommen van de meest uiteenlopende aard gebogen, tot het ons de keel uitging.

Maar hij motiveerde dat met de opmerking: "Het is voor je bestwil; leer je hersens gebruiken, dat spaart je later handen en voeten".

Hij woonde naast de school, met achter het huis een grote tuin, met vruchtbomen, die doorliep tot aan de Hofstraat. Later, toen er aan de voorkant van de school een stuk werd bijgebouwd, waardoor het speelterrein te klein werd, moest hij het grootste gedeelte daarvan afstaan voor nieuwe speelruimte. In mijn tijd echter stonden de appel- en perenbomen nog in volle glorie; tegen de tijd dat het fruit rijp werd, was meester Schreuder een uur voor en na schooltijd present om erover te waken. Want appels jatten bij de villa's Zonnenberg of Ingenetta was spannend, maar om dat bij de bovenmeester klaar te spelen, was het toppunt. Maar hij bleef op zijn hoede; bovendien gaf in dat jaargetijde opdracht in alle klassen nog eens uitvoerig het achtste gebod: "Gij zult niet stelen" te behandelen.

Ik moet gaan stoppen; dit waren wat losse herinneringen aan de Paasbergschool: een ieder zal zo op zijn eigen manier aan de schooljaren terugdenken, maar vast staat dat weer een stukje oud Ede voorgoed verdwenen is.

H.J. Nijenhuis, Molenstraat 101, Ede.