Rijkswerkkamp 't Schut

Een nieuwe nederzetting duikt op aan de Westzijde van Ede.

Aan een binnenweg tussen Ede en Geldersch-Veenendaal, de Schuttersteeg, is een houten dorpje verrezen, dat blijkens het opschrift, boven den ingang den naam draagt van Rijkswerkkamp 't Schut".

't Schut' herinnert aan werkkamp 't Wijde Veld", ten Oosten van Ede gelegen.

De omgeving is echter geheel anders.

't Wijde Veld' met zijn bruine barakken ligt bijna onzichtbaar weggedoken in de bruine, nu paarse hei. 't Schut daarentegen steekt scherp af tegen de frisch groene omgeving, als een donkere vlek tegen een groen kleed.

Het ligt gevat tusschen groene weilanden met een bonte koeienstoffeering en den mullen landweg de Schuttersteeg.

En het landelijk karakter zet zich voort tot diep in het kamp, aan den rand der barakken, want overal, waar men in het kamp ook rondziet, vindt men .... boontjes, en niets dan boontjes: duizenden pollen! Een eigenaardig gezicht, kenmerkend voor den huidigen tijd: een geheel kamp in de boonen.

Nog heerst hier tusschen de pas gereed gekomen, keurig geverfde, houten gebouwen een serene rust, in overeenstemming met de rustieke omgeving.

Een stilte, die echter spoedig verbroken zal worden, als - over weinige dagen - de circa tweehonderd arbeiders de poort van 't Schut' zullen binnenwandelen om hier hun tijdelijke home te vinden gedurende de periode, waarin zij in de omgeving worden tewerkgesteld.

Er zjjn al weer menschen, die zich hebben gehaast op deze nieuwe Edesche nederzetttng het odium van 'partijdigheid' te leggen.

Het kamp zou uitgaan van een bepaalde richting. Dat is echter een fabeltje. Het kamp is gesticht en wordt geëxploiteerd door een neutraal lichaam: de Rijksdienst voor de werkverruiming.

De wijze waarop deze dienst voor de huisvesting der arbeiders zorgt kan, als men de omstandigheden in aanmerking neemt, zeker door niemand verbeterd worden en verdient dan ook lof.

't Schut' is naar onze meening een ideaal kamp: practisch, degelijk ingericht, waarbij ook aan ontspanning na het werk alle aandacht is besteed.

De woon- en slaapbarakken liggen gegroepeerd om het hoofdgebouw, waarin zich de gezellige woonvertrekken en de bureaux van den leider, den Heer A. Hendriks, bevinden.

In de barakken bezit elk achttal arbeiders gezamenlijk een slaap- en een zitkamer.

Zoover hebben de Hollandsche militairen het nimmer kunnen brengen, dat zij behalve over een slaap- ook nog over een zitkamer konden beschikken. De slaapzaal was voor hen tegelijk ook eet-, zit- en poetskamer!

Dat zich in eenige loodsen voor de bewoners ruime waschgelegenheden bevinden is natuurlijk niets bijzonders, maar wel is een blijk van extra verzorging de aanwezigheid van douchekamertjes,

De watervrees, die den HoUanders nogal eens aangewreven wordt - voor hun toilet zouden zij een minimum aan water verbruiken - wordt hier zeker niet aangemoedigd. Hygiëne bovenal. Zoo behoort het trouwens ook in een kamp van werkers.

Aan de gelegenheid tot ontspanning is veel zorg besteed. Een mooie, zeer ruime barak, waarin alle kampbewoners een plaatsje kunnen vdnden, is speciaal ingericht aJs cantine, voorzien van buffet, lees- en schrljfgelegenheid en .... twee biljards.

De zuidwand der cantille bestaat vrijwel geheel uit glas, waardoor men een prachtuitzicht geniet over groene landouwen in de richting van de Grebbe.

In deze zaal kunnen de mannen na hun dagelijkschen arbeid op hun verhaal komen, zich wijden aan hun liefhebberijen, het schriftelijk contact onderhouden met het door hen achtergelaten gezin.

In deze zaal ook, zoo wagen wij te veronderstellen, zullen tal van vereenigingen uit Ede en andere plaatsen zich te zijner tijd laten horen, als zij de hier in den winter wel wat eenzame kampbevolkillg een ontspanningsavond aanbieden.

Dat Edesche muziek-, zang-, dam- en andere ontspanningsvereenigingen daarvoor haar goede diensten aan de kampbewoners zullen verleenen daaraan twijfelen we geen oogenblik. In dat opzicht hebben deze vereenigingen een te goede staat van dienst.

De ruime keuken met haar groote ketels, die het kamp rijk is, voorspelt den arbeiders veel goeds, juist in de tegenwoordige omstandigheden.

Fen deskundige, aJs de kampleider - oud-hofmeester der marine - op dit terrein toch is, zal ook met beperkte middelen smakelijk voedsel weten te bereiden.

Uit dze opsomming blijkt wel, dat het den arbeiders vrijwel aan niets zal ontbreken.

Die eisch mocht ook door hen worden gesteld. Zij bevinden zich hier immers meer of minder ver van hun gezin en moeten dus in 't Schut hun tweede tehuis bezitten. Of dat 't geval zal zijn, zal voor een groot deel ook afhangen van de leiding, te geven door den Heer Hendriks. Van hem, als oud-hofmeester der marine met meer dan twintig dienstjaren, mag echter met recht worden verwacht, dat hij met zulk een heterogeen gezelschap als hier wordt gehuisvest met tact zal weten om te springen.

Het verschil met de marine zit alleen hïerin, dat de zaak daar schommelde en hier "moet loopen",

De arbeiders komen hier allerminst om te logeeren, wel om hard te werken. Dat blijkt wel uit nun dagelijkschen werktijd: van 7-9.30 uur; 9.45 uur tot 12.30 uur; 1 uur tot 3.30 uur; 3.45 uur tot 6 uur. Zaterdags tot 12 uur.

Tegenover deze lange werkdagen staat dat de menschen elke derde week naar huis mogen: van Vrijdagsavonds tot 's Maandagsmorgens, een billijke verlofregeling.

Van elke drie Zondagen bevinden de arbeiders zich toch twee in het kamp. Deze omstandigheid zal zeker voor de plaatselijke geestelijke verzorgers een reden zijn hun zorgen ook over hun discipelen, die zich straks in dit kamp bevinden, uit te strekken.

Het spreekt vanzelf, dat onder de kampbewoners tucht moet heerschen, anders zou het spoedig in een janboel ontaarden.

Zij hebben dan ook, als militairen in hun kampementen, aan diverse bepalingen - maar 26! - te voldoen. Zij moeten de kamerwacht uitoefenen, zorgen voor het opmaken van bedden, het schoonhouden der kamers enz. en zijn, als de 'dienst' het toelaat, 's avonds tot half elf vrij.

Maar dit alles is slechts bijzaak, geldt den dageliJksohen dienst in het kamp.

Het voornaamste is en blijft het werk, de dagelijksche arbeid. Daarvoor moeten zij zich tot het uiterste inspannen als flinke, gezonde, wilskrachtige Hollandsche mannen, van wie dan straks, met een variant op een bekend lied, gezongen kan worden:

Daar komen de 'Schut'-ters, daar komen ze an, De mannetjesputters van d' Meika-dam.
Wat hebben ze een houding, wat hebben z'een kracht, Dat komt van den ijver, die wordt betracht.

Edesche Courant, 16 augustus 1941