logo_Ede

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

EDESE COURANT 11/01/1986 [Verz. Nijdam]

Uit d’ Oude Doos
VVV in 1928

Onlangs kregen we een boekje, Gids voor Ede, uit 1928, uitgegeven door de plaatselijke VVV ter inzage. Het is wel aardig om te lezen, hoe Ede zich, destijds als vakantie- en woonoord, naar buiten presenteerde. Na een inleidend woord van de voorzitter G.J. Smit volgde een uitgebreide beschrijving van het vele natuurschoon in en rond Ede. i
Daaruit willen we een stukje citeren met de hoogdravende volzinnen en schrijfwijze van die tijd: “De natuur rondom Ede vertoont zich in haar weelderigste verscheidenheid: aan de Oostkant ziet ge het tegen de berghelling gelegen bouwland, waarlangs al klimmend de Paaschberg wordt bereikt, welks bosschages uitlopers zijn van het Edesche Bosch. Op de Paaschberg gekomen, geniet men van een zeer schoon panorama over het dal, waarin de rood en blauw gedaakte huizen van het dorp liggen, samengesprokkeld rond de kerk der vaderen.


In dezelfde trant worden Kreel, Drieberg, Sijsselt en Kernheim beschreven, met aan het slot ene bijdrage van de eens zo bekende schrijver Jac. Gazenbeek, getiteld: “Langs Veluwse heidepaden”. Dan wordt de toon zakelijker. Allereerst wordt gewezen op de groei van Ede. in 1900 telde de gemeente 15.843 inwoners, een aantal dat in 1927 bijna verdubbeld was, namelijk 28.500.
Het dagelijks bestuur van de gemeente werd gevormd door burgemeester mr. Dr. C.O.Ph. baron Creutz en de wethouders mr. G.J. IJssel de Schepper, H. van Silfhout en P. van de Voort. Vervolgens wat ons dorp zoal te bieden had; er waren acht lagere scholen alsmede een openbare en een christelijke ULO. Helaas moesten kinderen bestemd voor hoger- en beroepsonderwijs naar Arnhem of Wageningen, maar als pleister op de wonde werd verklaard, dat tussen genoemde plaatsen en Ede goede verbindingen bestonden. Fraai was ook de aanhef van de, uiteraard bescheiden, lijst met ontspanningsverenigingen: “Ede, met een concertzaal en een eigen afdeling van Toonkunst is wereldser dan men zou denken”.


Om aan te tonen hoe voordelig het wonen hier was, had men een staaf opgenomen van de belastingdruk in onze gemeente en deze vergeleken met enkele steden. Zo betaalde men in Ede bij een belastbaar inkomen van 5000 gulden, slechts 216 gulden aan belasting en in Arnhem en Utrecht respectievelijk 315 en 380.
Zelfs de elektriciteitstarieven werden vermeld, die per zomer- en winterseizoen werden berekend en bovendien afhankelijk waren van het aantal vertrekken in de woning. En, als dat alles nog niet voldoende was om mensen naar onze omgeving te trekken, vestigde een royale advertentie van het gemeentelijk grondbedrijf de aandacht op de vele bouwterreinen, die tegen een billijke prijs te koop waren.
Uiteraard hebben we uit dit acht en zeventig pagina’s tellende boekje, dat ook veel advertenties van zakenlieden uit die tijd bevat en verlucht was met een aantal foto’s enkele punten aangestipt. Tot besluit dezelfde regels, waarmee ook dit propagandaexemplaar eindigde: “Op grond van het bovenvermelde, wekken we met vrijmoedigheid op een ieder, die van woonplaats wenscht te veranderen om, voor het nemen ener beslissing, in ieder geval eerst een kijkje te nemen in Ede. Daarna zal de keuze niet moeilijk zijn”.

H.J. Nijenhuis