Afdrukken
Hits: 2323
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

plaatjerondstandaardster

EDE - Op de zo succesvolle expositie "150 jaar op de fiets", in het museum
"Oud-Ede", was ook een aantal rijwielbelastingmerken te bewonderen. De
huidige generatie zegt dat weinig, maar in de vooroorlogse jaren vormden deze
plaatjes voor velen een bron van ergernis. Nu zijn belastingen nooit populair
bevonden, hoewel echter door de jaren heen de burgers, in allerlei vormen
verplicht zijn geweest, naar vermogen, bij te dragen aan de openbare
geldmiddelen.

Honderden jaren geleden kende men reeds grondbelasting en accijns op bier,
wijn en sterke drank. Een herbergier diende ook toen al nauwkeurig aantekening
te houden van het aantal glazen of kruiken drank die hij verkocht om aan het
eind van de maand de verplichte belasting af te dragen. Ook de heffing op rogge
en tarwe was niet mals en maakte het brood, indirect, duurder. Deze heffing
moest al betaald worden vóór het graan naar de molenaar werd gebracht. Men
kende destijds nog geen belastingkantoren; het innen werd veelal aan de meest
biedende verpacht, die wel zorgde er zelf ook wat beter van te worden. En niet
te vergeten "de tienden", waaronder werd begrepen dat iedere eigenaar of pachter
uit de opbrengst van hoeve en bouwlanden een tiende gedeelte moest
afstaan. Oorspronkelijk ten bate van de kerk, later ook voor weeshuizen en
andere openbare instellingen.

Om bij de werking van tienden alleen even bij graan te blijven: had de boer
zijn rogge gemaaid, gebonden en op schoven gezet, dan moest hij wachten op
de tiendpachter. Deze stak een eiken tak op elke tiende garf ten bewijze dat
deze voor de tiend was bestemd. Pas daarna mocht de boer zijn oogst van het
land halen en werd verhinderd dat hij minderwaardige rogge voor de tiend
beschikbaar zou stellen.
In 1907 kwam een tiendwet tot stand waardoor het mogelijk werd de tienden op
billijke wijze af te kopen. Daar werd op grote schaal gebruik van gemaakt. zodat
geleidelijk deze zeer oude instelling verdween.

Ook in onze gemeente vielen heel wat landerijen onder de tienden, maar de
overheidsuitgaven werden er niet wijzer van. Hier vormde jarenlang de hoofdelijke omslag de voornaamste bron van
inkomsten. Zo werd in 1851 de bevolking in vijfentwintig klassen verdeeld
waarvan de laagsten twee kwartjes en de hoogsten vijftig gulden per jaar
moesten betalen, een alleszins redelijke verdeling van de lasten. Maar dat is
allemaal al lang verleden tijd vergeleken bij de bovenbedoelde invoering van
de rijwielbelasting.
Anno 1924 zag onze toenmalige regering geen kans de begroting voor komend
jaar sluitend te maken, destijds nog een onverbiddelijke eis. Er werd op allerlei
posten beknibbeld en bezuinigd, zonder resultaat, terwijl de tijd drong; de derde
Dinsdag van September moest de zaak rond zijn. De minister van financiën dr.
colijnH. Colijn, later jarenlang minister-president, kreeg tenslotte een
helder idee. “Wij vormen een land van fietsers", aldus zijn
redenatie, “Laten we het tekort op hen afwentelen door een
rijwielbelasting in te voeren".
De Kamer ging grif accoord met dit Ei van Columbus, maar
de bevolking allerminst. Talrijke protesten, ingezonden
stukken en spotprenten verschenen in dag- en weekbladen.
Voor de kleine man was de fiets het aangewezen
vervoersmiddel en juist hij werd door deze belasting het
zwaarst getroffen.
Het haalde allemaal niets uit, voortaan moest elke fiets,
duidelijk zichtbaar. voorzien zijn van een rijwielbelastingmerk,
tegen betaling van drie gulden verkrijgbaar bij post- en belasting kantoren.
Het belastingjaar zou lopen van 1 januari tot 31 december. maar daar spoed
gewenst was, werd de maatregelreeds 1 augustus 1924 van kracht en de
resterende vijf maanden voor een vol jaar gerekend.

De belastingmerken, vervaardigd van dun koper, voorzien van de letters R.W.B.
of het woord "rijwielbelasting” en jaartal, werden elk jaar volgens een nieuw
ontwerp uitgegeven. Er waren drie uitvoeringen. Allereerst de normale, tegen
drie gulden verkrijgbaar. Vervolgens gratis exemplaren, voorzien van een rond
gaatje, waarvan de diameter elk jaar veranderde, ten behoeve van armlastigen.
En tenslotte nog een gering aantal waarin een sterretje was geponsd. Deze
laatsten, eveneens gratis , waren bestemd voor leden van de verschillende
ambassades, want ook daar beschikten slechts enkele topmensen over een auto. Per 1 januari 1929 werd de prijs tot een rijksdaalder teruggebracht; het kon wat
lijden, de jaarlijkse opbrengst lag aanmerkelijk hoger dan aanvankelijk was
geraamd. De volgende jaren steeg het aantal gratis plaatjes, door het steeds
groeiende leger werkelozen, met sprongen. En juist deze belastingmerken
waarvoor een gegadigde soms urenlang in de rij moest staan en zijn inkomsten
tot de laatste cent werden nagegaan ondervonden de meeste tegenstand. Dat bewuste ronde gaatje bezorgde de bezitter een bepaalde status, waarvoor
hij zich schaamde en waardoor hij zich gediscrimineerd voelde. Geen wonder dat velen het gaatje met koper dicht soldeerden, hetgeen
uiteraard strafbaar was. Ook werden, met meer of minder succes, door handige
mensen de plaatjes nagemaakt, maar bij scherpe controle vielen die al gauw
door de mand.

Zoals reeds gezegd, de plaatjes moesten onderhet rijden duidelijk zichtbaar
zijn: kwieke zakenlui brachten al spoedig verschillende houders in de handel
waarin het belastingmerk kon worden opgeborgen. Sommige mensen
soldeerden het plaatje op een hangslot, dataan het stuur kon worden gehangen. De beste beveiliging tegen diefstal en verliezen bleek een busje dat om de
stuurstang werd geschoven. Dat was mooi als de eigenaar het alleenrecht van
de fiets bezat, maar bij grote gezinnen werd dat moeilijker. Voor elke fiets een
plaatje kopen, juist in de dure decembermaand, bleek niet altijd een haalbare
kaart. Hier bracht een lederen etui dat op jas of mantel kon worden gespeld,
de oplossing. Er ontstond dan een rouleringssysteem dat evenwel ook de
nodige spanningen kon opleveren. Vaak ontstond onenigheid wie het etui
mocht gebruiken, en als een lid van het gezin beloofde maar een uurtje weg
te blijven, en het werden er drie, dan was bij zijn thuiskomst de boot aan. Daarom was het maar goed dat, gewoonlijk althans, kinderen pas over een
fiets,en dan nog een afdankertje, konden beschikken zodra zij aan het werk
gingen, en dus geen stem in het kapittel bezaten.
Dat overigens goedkoop ook op duurkoop kan uitdraaien, ondervond het
echtpaar van Roekel. Uit zuinigheidsoverwegingen kochten zij voor beide
fietsen slechts één rijwielbelastingmerk: voor hem om naar zijn werk te gaan,
voor haar om 's avonds of op zaterdag boodschappen te doen. Maar door
verliezen en zoekraken waren zij gemiddeld drie plaatjes per jaar kwijt,
zodat zij al gauw vandit snuggereidee afstapten.

De controle was bij tijd en wijle zeer scherp: niet alleen door politieagenten
maar ook door belastingambtenaren in de buitendienst. De eersten waren,
vanwege hun uniform, van verre herkenbaar en met een beetje handigheid
nog wel te omzeilen. Bij de commiezen lag dat anders: onverwacht doken
zij in hun burgerpakje op, om de fietser tot afstappen te dwingen. Indien dan geen geldig belastingmerk getoond kon worden, namen zij zonder
pardon de fiets in beslag. Na aankoop van een plaatje bij het belastingkantoor
aan de Stationsweg kregen de pech vogels hun rijwiel terug.

Natuurlijk kenden de meeste Edenaren de belastingmensen ook en namen
hen wel eens bij de neus. Zo was er een plaatselijke beroepsmilitair die, van de
Stationsweg komend, bij de school aan het Maandereind een controleur zag
staan. Bij de man gekomen remde hij abrupt, keerde schielijk zijn fiets om en
spurtte weer terug. De ambtenaar dacht: “dat is geen zuivere koffie", greep
eveneens zijn rijwiel en zette de achtervolging in. De militair reed in een
dusdanig tempo dat de commies hem wel met veel inspanning kon volgen,
maar geen kans kreeg hem in te halen. Bij de kazernepoort moest de landsverdediger afstappen voor de wacht,
waarop een hijgende achtervolger hem vroeg: “Waar is je belastingplaatje?” "Hier", was het antwoord. met de wijsvinger naar het stuur wijzend. “Waarom ging je er dan als een haas vandoor toen je mij aan het Maandeind
zag staan?" “Man, ik heb heel niet op je gelet, maar het schoot mij plotseling te binnen dat
ik een belangrijk stuk in de kazerne had laten liggen”.
Waarmee het slachtoffer van een grap het kon doen. Voor sommige mensen werd het een sport om zonder plaatje te fietsen en
toch niet gepakt te worden.

De zondag was de dag waarop men vrij en ongestoord kon rijden.
Belastingmensen waren dan vrij, en de paar agenten die dienst hadden maakten
zich ook niet al te druk. Maar juist die dag bleef bij vele Edenaren, om
principiële (geloofs-) redenen de fiets in de schuur.
Het Tuberculosefonds was, na het Riik, de enige instelling dat ook profijt trok
van deze belasting. Zij mocht in postkantoren bussen plaatsen, met het
verzoek hierin verlopen merken te deponeren, iets waaraan door velen gehoor
werd gegeven. Het koper van tienduizenden plaatjes leverde een mooie
bijdrage voor het nuttige werk van dit fonds.

In 1941 werd de rijwielbelasting afgeschaft, maar daar kwamen heel wat
grotere zorgen voor in de plaats.
H J. Nijenhujs - Ede-Stad 04-11-1981 Aanvulling: Het inzamelen van grote aantallen kleine stukje koperafval was
eerder al een succes in de financiering van de bestrijding van de tuberculose,
destijds een slopende longziekte die heel veel voorkwam. De Amsterdamse
diamantbewerker en vakbondsman “Ome Jan” van Zutphen stichtte het
“Koperen Stelen Fonds”.
Diamanten werden, om te kunnen worden geslepen, vastgekit in een koperen
dop die aan een
eveneens koperen steeltje was gesoldeerd. Dat steeltje werd
in een klem van een houder vastgezet, zodat de diamantslijper de steen op de
slijpschijf kon manipuleren. Dergelijke steeltjes braken vaak af, en
werden dan
als afval verkocht. Jan van Zutphen regelde inzameling en verkoop van de die
afgebroken
steeltjes, en financierde daaarmee het sanatorium voor
tuberculoselijders “Zonnestraal” in Hilversum.
(Jan Kijlstra)>/p>